Kennismaking met kennismaking
Ewald Vervaet, 5 april 2005Natuurwetenschappers, taalwetenschappers en sociale wetenschappers trachten kennis te verwerven over hun respectieve kennisvelden: regenboog; ‘sweat’ met ‘w’, maar ‘zoet’ zonder; toekomstbesef. Daarbij valt op dat natuur- en taalwetenschappers van empirische feiten vertrekken (kleuren; woorden) maar lang niet alle sociale wetenschappers dat doen. Ikzelf doe het wel: ik vertrek bijvoorbeeld van het empirische feit dat menselijke individuen vanaf zeker ogenblik een knikker in een knikkerspel onderscheppen door een vinger tevoren op een baan neer te leggen, en een adekwaat begrip en gebruik hebben van woorden als ‘dadelijk’ en ‘strakjes’. M’n empiristisch-positivistische collega’s daarentegen zouden bijvoorbeeld het spontane gebruik van ‘dadelijk’, ‘straks’, ‘strakjes’, ‘zo’ en dergelijke door kinderen van verschillende leeftijden turven om te bepalen welk percentage van hun woorden daaruit bestaat en daar vervolgens mee verder te rekenen (gemiddeldes, spreidingen, correlatiecoëfficiënten).
In hoeverre zijn mijn feitelijk-empirische en hun empiristisch-positivistische werkwijze geldig? Beide zouden gebaseerd zijn op de natuurwetenschappen: met name natuurkundige kennis zou langs feitelijk-empirische respectievelijk empiristisch-positivistische weg tot stand zijn gekomen. Is beide (een beetje) waar of is slechts één zienswijze houdbaar?
Dit is geen speculatieve vraag maar kan empirisch nagetrokken worden, namelijk in de geschiedenis van de natuurkunde. Dan blijkt dat de feitelijk-empirische werkwijze de leidraad is, waarlangs kennis over kleuren en over zwaartekrachtverschijnselen is gevorderd (maar ook bijvoorbeeld over de rol van de ‘w’ in talen). En dat de empiristisch-positivistische werkwijze nergens in die geschiedenis wordt teruggevonden.
De feitelijk-empirische werkwijze bestaat uit drie stappen en kent een vierde afgeleide stap. De eerste is: vertrek bij een opmerkelijk feit. In de kleurenleer zijn dat bijvoorbeeld de regenboog en kleurenblindheid en in de zwaartekrachtleer het bestaan van planeten (‘dwaalsterren’) en de vrije val.
Dan tracht men dat feit te verklaren. In de kleurenleer doen dat onder meer Newtons deeltjestheorie (1704) en Youngs golftheorie (1802) en in de zwaartekrachtleer Plato’s geocentrische achtsferentheorie, Hipparchos’ geocentrische epicykeltheorie, Copernicus’ heliocentrische theorie met cirkelvormige planeetbanen (1543), Brahes halfgeocentrische, halfheliocentrische theorie (1602), Keplers heliocentrische theorie met elliptische planeetbanen (1609), Newtons zwaartekrachtheorie (1687) en Einsteins algemene relativiteitstheorie (1915).
De derde stap is: trek de verklaringspoging met nieuwe feiten na. Dat is met de theorieën van de vorige alinea gebeurd. De betreffende onderzoekers concludeerden tot ‘empirisch houdbaar’, al waren er altijd nieuwe opmerkelijkheden die tot een nieuwe verklaringspoging noopten. Plato’s leerling Eudoxos bijvoorbeeld trok Plato’s theorie na en vond haar houdbaar voor de zon, de maan, Saturnus en Jupiter, maar ontdekte afwijkingen voor Mars, Venus en Mercurius. Als verklaringspoging opperde hij zijn zesentwintigsferentheorie die weer is nagetrokken door Kallippos; enzovoort via onder meer Copernicus, Newton en Einstein tot de zwaartekrachtleer van 2005.
Tot slot past men een empirisch houdbaar bevonden theorie toe, bijvoorbeeld in kleurenblindheidsplaten en in kleurenfotografie respectievelijk in Halley’s voorspelling omtrent de terugkeer van een komeet en in het plaatsen van geostationnaire satellieten.
Rekenwerk in de derde en vierde stap is gebaseerd op theoretische verbanden en niet op gemiddeldes, afwijkingen daarvan en verdergaande rekentechnieken zoals in empiristisch-positivistisch onderzoek. Een voorbeeld is dat natuurkundigen sedert Youngs golftheorie in beginsel aan kleuren getalsmatig kunnen meten en rekenen - een golf heeft immers een golflengte. Het feitelijk bepalen van de golflengtes van spectraalkleuren is mogelijk sedert Fresnels overwegingen over het buigingsspectrum en Fraunhofers theoretische overwegingen die tot buigingsroosters leidden (1823). Een empiristisch-positivistische werkwijze zou geweest zijn dat men de kleuren van de regenboog een zes- of zevenpuntsschaal zou toekennen en daar dan mee verder zou rekenen. In 2005 weten we echter volstrekt zeker dat dat nooit tot kennis geleid zou hebben in de kleurenleer.
De empirie speelt dus in drie van de vier stappen een rol: in het vaststellen van een uitzondering op een theorie die men tot dan empirisch houdbaar achtte, in het met nieuwe feiten natrekken van een verklaringspoging en in het toepassen van een empirisch houdbare theorie. Empiristisch-positivisten onderscheiden hier niet (voldoende) en verwaarlozen de tweede stap: ze werpen weinig of geen theorieën op als verklaringspogingen voor wat dan ook.
De fundamentele denkfout van empiristisch-positivisten is dat ze vanuit 2005 naar een succesvolle theorie als Newtons zwaartekrachttheorie kijken om vervolgens dat succes toe te schrijven aan de onmiskenbaar meer rekenkundig-wiskundige gestalte van die theorie ten opzichte van haar voorgangers. Zo ontneemt men zichzelf echter een juiste kijk op de totstandkoming van kennis. Als men daarentegen van Plato naar Newtons zwaartekrachttheorie gaat, blijkt dat verrast worden, vermoedens opwerpen, feitelijk natrekken en toepassen elkaar opvolgen en dat men het rekenkundig-wiskundige kado heeft gekregen, namelijk door de wederzijdse aantrekking van twee massa’s enerzijds en de omgekeerde evenredigheid van het kwadraat van de afstand anderzijds. Zie ook de golflengtebepaling die voortvloeit uit Youngs golftheorie als verklaringspoging voor interferentieverschijnselen.
Van enige empiristisch-positivistische werkwijze is dus nooit sprake geweest bij de totstandkoming van natuurwetenschappelijke kennis. De reden hierachter is voor psychologen dubbel interessant: het menselijke brein verwerft kennis niet langs empiristisch-positivistische weg, maar verwerft inzichtelijke kennis volgens de drie stappen van de empirisch-feitelijke weg en toepassingskennis volgens zijn vier stappen. De kans om langs empiristisch-positivistische weg ooit sociaalwetenschappelijke kennis te verwerven is dan ook nihil.
Ondertussen is het empiristisch-positivisme wel een feit in de sociale wetenschappen. Dat is om vele redenen jammer. Ik noem er drie; voor mij als wetenschapper weegt punt a het zwaarst.
a. Het empiristisch-positivisme degradeert fundamenteel onderzoek tot het ontwikkelen van nieuwe onderzoeksmethodes en –technieken, met inbegrip van steeds geavanceerdere computerprogramma’s, en draagt niets bij aan vermeerdering van inzichtelijke kennis. Het klassieke voorbeeld is dat de empiristisch-positivistische definitie van intelligentie nog steeds luidt: ‘Intelligentie is wat deze IQ-test meet’.
b. Voor zover empiristisch-positivisten meteen toegepast onderzoek menen te kunnen doen schaden ze de praktijk eerder dan dat ze er enig probleem in oplossen. Zie meerkeuzevragen. Ze zijn op herkenning van het juiste antwoord gericht en niet op het reproduceren van inzicht in samenhangen zoals in open vragen. Leerlingen en studenten weten dat maar al te goed. Daarom leren ze de stof op herkenningsnivo en niet op begrips- en reproductienivo, waardoor meerkeuzevragen het rendement van het onderwijs feitelijk afromen.
c. In de mate dat onze samenleving zowel op individueel vlak (tests bij personeelsselectie; Cito-uitslagen bij schoolkeuze) als op collectief vlak (regering en Tweede Kamer nemen vele besluiten pas na empiristisch-positivistisch beleidsonderzoek) het empiristisch-positivisme gebruikt, worden persoonlijke en politieke keuzemomenten gereduceerd tot het opvolgen en uitvoeren van ‘onderzoeksresultaten’. Omdat op die manier betekenisverlening verdwijnt waar ze mogelijk is, gaan velen betekenissen zoeken waar ze niet zijn, namelijk in het ‘voelen’ in de vaagste zin des woords; zie de vele Jomanda’s en Oibibio’s die met name in de jaren negentig onder ons waren.Het is natuurlijk altijd mogelijk dat ik me in en sedert m’n proefschrift vergis en te hard oordeel over het empirisch-positivisme, maar empirisch-positivisten hebben dat tot op heden niet aangetoond, hebben mijn voor hen negatieve boodschap met oneigenlijke middelen genegeerd en zijn door blijven gaan alsof er geen natuurkundige wat had gezegd over hun louter in naam natuurwetenschappelijke methode. Dan nog blijft het punt dat de empiristisch-positivistische werkwijze niets positiefs heeft opgeleverd (punt a) (en slechts negatieve zaken; zie de punten b en c). Niettemin ben ik langs de feitelijk-empirische weg door blijven gaan en heb ik met name voor m’n onderzoek naar de psychologische ontwikkeling tot een jaar of drie veel erkenning gekregen; zie Reacties op Groeienderwijs.
Kennis wordt niet uit feiten afgelezen zoals empiristen stellen en wordt ook niet uit berekeningen gedestilleerd zoals empiristisch-positivisten (doorgaans impliciet) trachten te doen. Natuurwetenschappelijke en andere kennis wordt gemaakt, namelijk in de tweede stap – niet als speculatieve exercitie, maar in wisselwerking met een bepaald kennisveld, en pas aanvaard na toetsing in de derde stap.
Kennis wordt dus interactief gemaakt. Moge mijn betoog een aangename kennismaking zijn met ‘wetenschap als kennismaking’, ook voor mijn empiristisch-positivistische collega’s. Ik waardeer hen voorzover zij op consekwente wijze de empirie een woordje trachten mee te laten spreken in de sociale wetenschappen die zich licht voor speculatie lenen. Nog groter zou mijn waardering zijn indien zij spoedig de geldigheid van hun werkwijze zouden aantonen wanneer zij oprecht menen dat die er is, of anders hun werkwijze loslaten ten gunste van de feitelijk-empirische.
Literatuur
E. Vervaet, Strukturalistische verkenningen in kennisleer en persoonlijkheidsleer, proefschrift UvA, Amsterdam, 1986, p.13-124 (deel I, ‘Denken; of hoe geldige kennis groeit’).
E. Vervaet, ‘Zicht op kleur; een bonte geschiedenis’, Natuur & techniek, augustus 1990, p.636-647.
E. Vervaet, ‘De eerste kleurenblindheidsproeven’, Tijdschrift voor de geschiedenis der geneeskunde, natuurwetenschappen, wiskunde en techniek, 1991, vol.14, p.74-95.
E. Vervaet, Groeienderwijs; psychologie van 0 tot 3, Amsterdam, Ambo, 2002 (derde druk, 2004), p.220-224 (§13.2, ‘Empirische feiten – geen empiristisch-positivisme’ en §13.3, ‘Aansluiten bij het opmerkelijke’).
M. Crok, ‘Solist onder psychologen’, Natuurwetenschap & techniek, september 2004, p.32-35.
Terug naar de centrale pagina over 5 april.Klik hier om naar het hoofdmenu te gaan