Positivistische wetenschapbeoefening: ook zinvol voor de psychologie
Matthijs Koornstra, 8 november 2006In de psychologie overheerst terecht het positivisme, omdat alternatieven minder vruchtbaar zijn. In elke positivistische wetenschapsbeoefening wordt kennis verworven door assumpties die zomogelijk kwantitatief of als structurele orderelaties worden geformuleerd (zie referentie 1) en empirisch houdbaar blijken.[1] Bij empirische afwijkingen worden gewijzigde assumpties geformuleerd of aanvullende probabilistische assumpties opgesteld die blijken overeen te komen met de afwijkingen: de zogenoemde 'empirische cyclus'.[2]
De positivistische psychologie verwerft geen inzichten uit theorieloze waarnemingen. Weliswaar wordt in de psychologie vaak via exploratieve (meerdimensionale) analyses van data (gecodeerde waarnemingen) nadere assumpties opgesteld, maar elke analyse van data veronderstelt al een 'datatheorie' ('knowledge is bought by assumptions', zie referentie 2).[3] Psychologische data zijn aanvankelijk ordinaal of binair. In de meettheoretisch gefundeerde, positivistische wetenschap (zie referenties 3 a t/m c) wordt op basis van structurele assumpties die empirisch houdbaar blijken deze ordinale of binaire data gerepresenteerd met 1) intervalschalen {arbitraire nulpunt en schaaleenheid: b.v. de temperatuurschaal van Celsius of de semi-metrische ontvouwingschaal voor preferenties} of 2) ratioschalen {bepaald nulpunt en arbitraire schaaleenheid: b.v. de Kelvinschaal voor temperatuur of de Raschschalen van capaciteit CJ en moeilijkheid Mi voor waarschijnlijkheid PJi = 1/[1 + exp(Mi - CJ)] dat individu J item i correct beantwoordt} of 3) absolute schalen {b.v. waarschijnlijkheden of een schaal gevormd door ratio's van verschillen en een afstand tot een punt op een intervalschaal}.[4] Alleen kwantitatieve relaties tussen absolute schalen en/of ratioschalen kunnen door hun “dimensionele invariantie” zinvol zijn (zie referenties 3a, 3c en 4). Bovendien vereisen meerdimensionele relaties dat de geometrie van de betreffende ruimte bekend is (d.w.z. empirisch houdbaar is gebleken), want elke andere geometrie leidt tot andere kwantitatieve relaties tussen dimensies (zie referentie 5).
Het feit dat in de psychologie allerlei meettheoretisch onverantwoorde 'quasi-metingen' en kwantitatieve analyses daarvan worden gebruikt, diskwalificeert de betreffende onderzoekers (of hun opleiding?), maar niet de positivistische psychologiebeoefening.[5] Weliswaar kunnen zulke 'quasi-metingen' waarvan aangetoond is dat ze prognostische meerwaarde hebben, praktisch nuttig zijn, maar dat draagt niet bij aan theorievorming. Meettheoretisch en/of mathematisch verantwoorde, positivistische psychologie heeft tot kennisvermeerderende theorievorming geleid, b.v. in de psychofysica (zie referentie 6), de psychologie van oordelen en voorkeuren (zie referentie 5), de testpsychologie (zie referenties 7 t/m 9)[6] en de psycholinguïstiek (zie referenties 1 en 10).[7]Referenties
1) Suppes, P. (2002). Representations and invariance of scientific structures. CLSI Publ., Stanford.
2) Coombs, C.H. (1964). Theory of data. Wiley, New York.
3) Foundations of measurement. Volumes 1, 2 , 3. Academic Press, New York.
a) Vol. 1 by Krantz, D.H.; Luce, R.D.; Suppes, P. & Tversky, A. (1971).
b) Vol. 2 by Suppes, P.; Krantz, D.H.; Luce, R.D. & Tversky, A. (1989).
c) Vol. 3 by Luce, R.D.; Krantz, D.H.; Suppes, P. & Tversky, A. (1990).
4) Narens, L. (2002). Theories of meaningfulness. Erlbaum, Mahwah, NJ.
5) Koornstra, M.J. (2006). Changing choices: psychological relativity theory . Leiden Univ. Press.
6) Falmagne, J-C. (1986). Elements of psychophysical theory. Oxford Univ. Press, New York.
7) Rasch, G. (1961). 'On general laws and the meaning of measurement on psychology', p.321- 334 in Neyman, J. (red.). Proc. 4 th Berkeley Symp. on Math. Stat. and Prob. IV. Univ. Calif. Press. Berkely CA.
8) Fischer, G.H. (1974). Einführung in die Theorie psychologischer Tests . Huber, Bern.
9) Hableton R.K. & Swaminathan, H. (1986). Item response theory; principles and applications. Kluwer/Nijhoff, Boston .
10) Levelt, W.J.M. (1989). Speaking: from intention to articulation. MIT-Press, Cambridge, MA.===o===
Kanttekeningen bij Positivistische wetenschapbeoefening: ook zinvol voor de psychologie
dr. E. Vervaet, 18 november 2006[1] In 'Het positivisme en zijn ongeldigheid' van 28 april 2006 is positivisme als volgt gedefinieerd: 'Onder positivisme versta ik die wetenschapsfilosofische en methodologische stroming waarin men onder meer met puntsschalen, correlatiecoëfficiënten en regressieanalyse werkt' (§1). Inductie (van feiten naar theorie) is in dat positivisme inbegrepen: 'Daarin gaat men ervan uit dat inzichten, wetten en theorieën uit waargenomen feiten zouden voortkomen' (ib). Abductie (ter verklaring van een onbegrepen feit werpt men een verklaringspoging op, die men empirisch natrekt) valt per definitie buiten beide (ib, §3).
Koornstra hanteert dus een andere definitie van 'positivisme', waar zowel 'inductie' als 'abductie' onder vallen. Bijvoorbeeld, in een psychologische test met puntsschalen, die volgens Koornstra abductief zou zijn ontstaan, is van items, opgevat als verklaringspogingen, de empirische houdbaarheid nu juist niet nagetrokken. Die items zijn dus vooropgezet in plaats van psychologisch-feitelijk. Daarmee is de som van de verschillende itemscores om tot een inzicht te komen omtrent de geteste persoon een vorm van inductie. Zie 'Puntsschalen, niet terecht toegepast', §4-6. Terug naar de tekst[2] Koornstra geeft een vertekend beeld van de empirische cyclus Deze begint allerminst met het opwerpen van een verklaring voor iets afwijkends zoals dat wel in een abductief proces gebeurt, maar met 'S1 = situatie zoals die zich voordoet aan O = organisme' (De Groot, Methodologie, 1961, p.2). Daarmee geeft de empirische cyclus ook een vertekend beeld van waarnemen en kennisvorming: 'situaties zoals die zich voordoen aan organismen' bestaan niet: er is altijd sprake van een interpretatie; zie 'Het positivisme en zijn ongeldigheid', §3, I, voorbeelden 1 en 2.
De kern van de zaak is dat het De Groot niet ging om een '(denk-)psychologische benaderingswijze', maar om het 'bestuderen van het verwerven en verwerken van ervaring' (Methodologie, p.26). Daarmee sluit de empirische cyclus zoiets als 'abductie' principieel uit. In abductie is de verklaringspoging voor iets onbegrepens ('verrassing') namelijk een vrije creatie van de onderzoeker. Het begrijpen van wetenschap is daarom onmogelijk als men '(denk-)psychologische benaderingswijzen' negeert. De Groots optiek op kennisverwerving is dan ook innerlijk strijdig: net zo min als men in het 'bestuderen van de vrije val, getijden en planeetbewegingen' niet zonder een 'gravitationele benaderingswijze' kan, zo kan men het in het 'bestuderen van het verwerven en verwerken van ervaring' niet zonder een '(denk-)psychologische benaderingswijze'.
Sterker, de empirische cyclus is zelf een verklaringspoging voor het 'verwerven en verwerken van ervaring'. a. De vraag rijst waar de empirische cyclus, als verklaringspoging voor het 'verwerven en verwerken van ervaring' naar verwijst als het niet naar iets '(denk-)psychologisch' is. b. De empirische cyclus is niet houdbaar, niet voor het verwerven en verwerken van ervaring door het kind (zie Piagets onderzoekingen) en niet voor het verwerven en verwerken van ervaring in de wetenschap (zie 'Het positivisme en zijn ongeldigheid', noten 15, 19 en 20).
Koornstra mengt de tegengestelde begrippen 'inductie' en 'abductie' met elkaar. Zo schrijft De Groot over 'nomologische netwerken' die geheel of gedeeltelijk zouden kunnen bestaan uit 'beweringen die relaties uitdrukken tussen [...] waarneembare variabelen (eigenschappen, hoeveelheden) onderling' (Methodologie, p.84v; zie ook p.121 voor natuurkundige voorbeelden geeft, die echter niet langs inductieve maar wel langs abductieve weg tot stand zijn gekomen; zie 'Het positivisme en zijn ongeldigheid', noten 15, 19 en 20). Voorzover De Groot abductief verkregen relaties op het oog heeft, is dit correct. Hij doelt echter ook op inductief verkregen relaties, aangezien hij 'situaties zoals die zich voordoen aan organismen' insluit. Zulke relaties bestaan echter niet, noch bij het kind, noch in het leven van alledag, noch in de wetenschapsgeschiedenis. Ook schrijft De Groot positief over 'metrische schalen' (Methodologie, p.51), terwijl die onzes inziens principieel afgewezen dienen te worden; zie 'Puntsschalen, niet terecht toegepast'. Terug naar de tekst[3] Anders dan Koornstra doet voorkomen, hoopt Coombs, de grondlegger van de datatheorie, uit theorieloze waarnemingen inzichten te gaan verwerven, dus langs inductieve weg.
Voorbeeld 1. 'Relaties, orde en structuur' zouden uit de data voortkomen als 'consekwentie van de data'. Coombs onderscheidt namelijk drie stappen, met pas in stap 3: 'detection of relations, order, and structure which follow as a logical consequence of the data' (A theory of data, p.4v). Schematisch weergegeven stelt hij dus 'data --> relaties, orde en structuur'. Dat is inductie. Immers, de data hebben kennelijk zelf geen expliciete 'relaties, orde en structuur', wat ze bij verder gebruik in psychologisch opzicht tot iets theorieloos maakt.
Voorbeeld 2. Met schalen verkregen data zouden een 'stevige basis voor theorievorming' zijn: 'measurement and scaling (which seems such a firm foundation for theory building)' (ib, p.5). In schema: 'data --> theorie', wat andermaal inductie is.
Voorbeeld 3. De datatheorie houdt zich bezig met het vergaren van data en met het halen van theorie uit die data: 'The theory of data [...] is concerned only with […] the mapping of the recorded observations into data and the choice of models for making inferences from the data' (ib, p.5). 'Inferenties uit data maken' is inductie. De modellen waar Coombs over schrijft, zijn statistische of anderszins rekenkundige of wiskundige modellen en geen psychologisch-inhoudelijke theorieën ('verklaringspogingen') voor nog onbegrepen psychologische verschijnselen ('verrassingen').
In tegenspraak met de inductieve grondgedachte in Commbs' 3-stappen-model is er een abductieve aanzet in de gedachtes dat de schaalmethode een theorie over gedrag is, dat kennis het resultaat van theorie is, dat we informatie met aannames kopen en dat 'feiten' inferenties zijn: 'A measurement or scaling method is actually a theory about behavior. [...] This illustrates the general principle that all knowledge is the result of theory - we buy information with assumptions - "facts" are inferences, and so also are data and measurements and scales' (ib, p.5). Zie verder 'Puntsschalen, niet terecht toegepast', §4-6. Terug naar de tekst[4] Koornstra's vergelijking tussen positivistische puntsschalen en natuurkundige temperatuurschalen is niet terecht. Immers, die puntsschalen zijn theorieloos in de zin van vooropgezet, want voortijdig toegepast (zie 'Puntsschalen, niet terecht toegepast', §4-6). Die temperatuurschalen zijn daarentegen theoriegebonden; zie alleen titel en inhoud van Kelvins artikel (1848) waarin hij zijn schaal inleidt: 'On an absolute thermometric scale founded on Carnot's theory of the motive power of heat [...]' (cursivering toegevoegd). Terug naar de tekst
[5] Ik heb op 28 april 2006 de KNAW niet verzocht een discussie te openen over slechte onderzoekers en slechte onderzoekingen van een onderzoeksprogramma dat ten principale kennisvermeerderend is, maar over de vraag over de positivistische onderzoeksmethode zelf ten principale kennisvermeerderend is. Terug naar de tekst
[6] De 'kennisvermeerderende theorievorming' in de testpsychologie bestaat niet uit psychologisch inzichten als verklaringspogingen voor verrassingen, maar slechts uit methodologische overwegingen; zie 'the present study is primarily a refinement of [Allport's] statistical methods' (Thurstone, 'Attitudes can be measured', 1928, p.543) en de boektitel 'Techniques of attitude scale construction' van Edwards (1957).
Daar bij Koornstra een concreet voorbeeld van zijn stelling ontbreekt, nodig ik hem uit drie concrete psychologisch-inhoudelijke, niet-methodologische voorbeelden uit de testpsychologie te geven, met literatuurverwijzingen of, als die literatuur niet aan UvA of VU is, met het toezenden van fotokopieën. Terug naar de tekst[7] Mijns inziens is Levelts psycholinguïstische theorie een verklaringspoging of zelfs een geheel of gedeeltelijk empirisch houdbare verklaring voor het feit dat we gedachten in woorden (en zinnen) kunnen omzetten. Er komen geen puntsschalen, correlatiecoëfficiënten en regressievergelijkingen (mijn definitie van positivisme; zie noot 1) in voor. Door de definitie van 'positivisme' te verbreden (eveneens noot 1) annexeert Koornstra iets abductiefs, namelijk Levelts psycholinguïstische theorie voor spraakproductie, aan de psychologie die in mijn zin positivistisch is, zonder de kritiek op dat op inductie gebaseerde positivisme in 'Het positivisme en zijn ongeldigheid' weerlegd te hebben. Terug naar de tekst
Terug naar de centrale pagina over 8 november.Klik hier om naar het hoofdmenu te gaan