Het positivisme in de psychologie bestaat niet
Willem van Hoorn, 8 november 2006Wetenschapstheoretisch en historisch-psychologisch opgevat valt de wetenschappelijke psychologie van de 20e eeuw in drie zeer ongelijke deelgebieden uiteen:
-praktische psychologie, ca 90 %
-toegepaste psychologie, ca 5 %
-theoretische psychologie, ca 5%Het door Vervaet al jaren geleden aangezwengelde debat over 'Het Positivisme in de Nederlandse Psychologie' gaat dus hooguit over 5 % van de psychologie in ons land.[1] Koornstra stelt dat in de internationale psychologie 'het positivisme terecht overheerst', daarbij eveneens over het hoofd ziende dat hij hier slechts spreekt over een klein, maar belangrijk deel van de psychologiebeoefening. Bij beiden is geheel onduidelijk wat 'positivisme' zou kunnen betekenen en referenties naar Comte of de Wiener Kreiss ontbreken.[2] De verwijzing naar het 'leentjebuur' spelen van de psychologie bij de natuurwetenschappen mag nog opgaan voor haar beginfase in de 19e eeuw, in onze tijd is dat al lang niet meer het geval.[3] Voor zover het de wiskundige statistiek betreft, is het Vervaet kennelijk ontgaan dat zich hierin de laatste 40 jaar binnen de psychologie opmerkelijke veranderingen hebben voorgedaan, die het niveau van correlatiecoëfficiënten en regressievergelijkingen (ver) overstijgen. Overigens is er met deze laatste 2 niets mis, mits prudent toegepast.[4] [Zie voor belangrijke nieuwe ontwikkelingen b.v. bij Koornstra onder Raschschalen en bij Item Response Theory en voor een briljante uiteenzetting van de problematiek, Koornstra, 2006. Zie voor de data-analyse van kwalitatieve gegevens de website van Jacqueline Meulman, Leiden[5]].
Stellen dat 'meer dan een eeuw testpsychologie geen enkel inzicht heeft opgeleverd' is een grove misvatting van wat er zoal in de testpsychologie bevonden is met betrekking tot intelligentie, persoonlijkheid, waarneming/geheugen en sociaal gedrag. Mag het zo zijn dat 'intelligentie is wat deze IQ-test meet', dan is het wat het geteste individu betreft toch heel interessant om te weten hoe zijn of haar IQ is opgebouwd uit b.v. Redeneervermogen, Verbaal vermogen, Ruimtelijk inzicht, Werkgeheugen, Werktempo en Nauwkeurigheid.[6] Zoiets kan alleen maar met een betrouwbare en valide test gemeten worden en is zinvol zo lang de maatschappij belang hecht aan de uitslag van psychologische testen.[7] Bij kritiek op 'de' testpsychologie wordt meestal over het hoofd gezien dat in de psychiatrie en neurologie allerhande diagnostische tests ontwikkeld zijn die hun nut en zinvolheid bij de juiste selectie behandeling van patiënten al lang bewezen hebben.[8]Voor wat het speciale geval van de Cito-toets betreft, het volgende. Sinds lang is bekend dat het weloverwogen advies van de basisschool de beste voorspeller is voor het succes in het vervolgonderwijs.[9] Maar ook de lengte van het kind, ziektegeschiedenis en het inkomen van de ouders zijn zeer goede voorspellers in dit verband. Om allerhande willekeur zoveel mogelijk te voorkomen dringt de overheid aan op het afnemen van de Cito-toets of de NDT-2004 als het om toelating tot het Praktijkonderwijs of het Vmbo gaat. Zolang er grote bedragen gemoeid zijn met het selecteren van leerlingen die extra financiële ondersteuning verdienen vanwege hun emotionele-, cognitieve- of leerachterstand, is dit verstandig beleid.
Overigens heeft intern onderzoek van het Cito duidelijk aangetoond dat de voorspellende waarde van de uitslag van de toets in het 3e jaar van het vervolgonderwijs sterk afneemt. Mutatis mutandis geldt dit ook voor het advies van de lagere school en voor de uitslag van de NDT-IQ test. Gelukkig maar.Positivistische psychologie=wetenschappelijke psychologie=astrologie=alchemie is een zinloze strijdkreet uit een achterhoedegevecht dat al voor 1900 beslecht werd.[10]
Het onbehagen rond testpsychologie en kwantitatieve onderzoeksmethoden, kan gerelateerd worden aan een meritocratische maatschappijstructuur, waar binnen een neo-liberalisme of sorts, aan individuen plaatsen worden toegewezen op grond van prestaties die samenhangen met hun gemeten of gebleken capaciteiten. Zodra deze maatschappij-opvatting als een dief in de nacht zal veranderd blijken te zijn in een andere, waarin individu en samenleving meer waarde zullen hechten aan b.v. altruïsme, gelijkwaardigheid van vrouw en man of echte liefde, dan zal de betekenis van de 3 vormen van psychologie hier boven genoemd, in belangrijke mate afnemen.
===o===
Kanttekeningen bij Het positivisme in de psychologie bestaat niet
dr. E. Vervaet, 18 november 2006[1] In de Nederlandse psychologie overheerst het positivisme in de zin van 'Het positivisme en zijn ongeldigheid' wel degelijke (zie noot 2), en wel in 90% praktische en 5% toegepaste psychologie (naar Van Hoorns indeling). Kortom, in 95% van alle psychologische onderzoek tracht men empirisch te zijn, maar is men feitelijk empiristisch-positivistisch; zie Nederlandsch tijdschrift voor de psychologie, 2004 en 2005, die op 8 november beide in de zaal waren. Terug naar de tekst
[2] 'Het positivisme en zijn ongeldigheid', §1 opent met deze definitie: 'Onder positivisme versta ik die wetenschapsfilosofische en methodologische stroming waarin men onder meer met puntsschalen, correlatiecoëfficiënten en regressieanalyses werkt'. In de noot 1 bij die definitie versta ik me kort met Comte en met als positivistisch aan te duiden stromingen in de filosofie, waar de Wiener Kreis onder valt. Terug naar de tekst
[3] Vermoedelijk doelt Van Hoorn met leentjebuur spelen van de psychologie bij de natuurwetenschappen op fysicalistische modellen in de psychologie (die er echter ook nog in de twintigste eeuw zijn geweest, zoals bij Watson en Hull). Ik doel echter op het legitimeren van positivistisch onderzoek in de psychologie door te verwijzen naar de natuurwetenschappen; zie 'Het positivisme en zijn ongeldigheid', §2 (voorbeelden; aangevuld met voorbeelden in noot 4 aldaar) en §3 (weerlegging van het inductieve beeld van de positivisten omtrent kennisverwerving).
Dat de positivistische legitimering van de eigen methode tot 8 november 2006 is doorgegaan, blijkt onder meer uit een citaat van de testpsycholoog Drenth en uit Koornstra's samenvatting: '[In de fysica] begint men met observatie en probeert men vanuit deze geobserveerde feiten te komen tot een meer algemeen geldende theorie' (Drenth, Inleiding in de testtheorie, 1975, p.276) respectievelijk 'intervalschalen {[...] b.v. temperatuurschaal van Celsius of [...] schalen voor preferenties}' en 'ratioschalen {[...]: b.v. de Kelvinschaal voor temperatuur of de Raschschalen [...]}' (Koornstra, 'Positivistische wetenschapbeoefening: ook zinvol voor de psychologie'; bijlage II). Terug naar de tekst[4] Van Hoorn: 'Overigens is er met [correlatiecoëfficiënten en regressievergelijkingen] niets mis [...]'. Het is uiteraard heel wel mogelijk dat beide positivistische onderzoeksmiddelen kennisvermeerderend zijn (in de zin van het beter en/of meer begrijpen van voorheen onbegrepen psychologische verschijnselen), maar vooralsnog is daar nog niets van gebleken; zie 'Intelligentie is wat deze IQ-test meet'. Voorts is hun adequaatheid stellen een mondelinge belijdenis en geen wetenschappelijk argument.
Mijn kritische beschouwing over de correlatiecoëfficiënt en regressievergelijkingen staat dus nog geheel overeind; zie E. Vervaet, ‘Statistiek en de statistieken’, Struktuur en genese , 2004, vol.17, p.26-54, met name B.V; mijn betoog over regressievergelijkingen is samengevat in 'Het positivisme en zijn ongeldigheid', §4 (slot). Ik nodig Van Hoorn uit deze kritiek alsnog te weerleggen. Terug naar de tekst[5] Ondanks dat Van Hoorn meent dat '[h]et positivisme in de psychologie niet bestaat' (de titel van zijn samenvatting en presentatie), merkt hij als 'belangrijke nieuwe ontwikkelingen' in de positivistische psychologie onder meer Raschschalen, de item-respons-theorie en de datatheorie aan. Dit zijn echter geen psychologisch-inhoudelijke theorieën over psychologische verschijnselen, maar gehelen van methodologische overwegingen omtrent het doen van onderzoek dat naar positivistische maatstaven goed genoemd kan worden. Moeten volgens Van Hoorn en Koornstra de 20 manco's in de verongelijkheidsschaal van de NPV (zie 'Puntsschalen, niet terecht toegepast', §4-6) gerepareerd worden of niet in het model achter Raschschalen, in de item-respons-theorie en/of datatheorie? Zo ja, hoe gebeurt dat dan? Zo nee, waarom is die reparatie niet nodig?
De drie genoemde modellen laten die 20 en allerlei andere manco’s in tests die met de klassieke testleer zijn geconstrueerd, ongerepareerd. Die modellen bouwen slechts een reken- en wiskundig ogende, maar psychologisch lege wal om die manco's. Terug naar de tekst[6] In één adem spreekt Van Hoorn van een 'grove misvatting' en erkent hij dat 'Intelligentie is wat deze IQ-test meet' alles wat de positivistische psychologie op dit gebied heeft opgeleverd. Of echter allerlei testmaten, zoals redeneervermogen en verbaal vermogen, daadwerkelijk wat psychologisch meten, hangt af van de vraag of er een psychologische verklaringspoging voor enig aanvankelijk onbegrepen psychologisch verschijnsel is, die bovendien in empirisch onderzoek houdbaar is gebleken. Immers, vanuit de onderzoekscyclus bekeken dienen zulke testmaten toepassingen te zijn van empirisch houdbaar gebleken verklaringspogingen; zie 'Het positivisme en zijn ongeldigheid', §3, I. Vooralsnog ziet het er niet naar uit dat dat het geval is zodat afname van zo'n test in wetenschappelijk opzicht niet terecht is. In theoretisch opzicht gelden dan ook slechts 'Redeneervermogen is wat deze redeneervermogen-test meet' en 'Verbaal vermogen is wat deze verbaal-vermogen-test meet'.
Wat verbaal vermogen betreft, de circuittheorie in Groeienderwijs; psychologie van 0 tot 3 is een goed alternatief voor elke positivistische verbaal-vermogen-test:
[7] Testmaten zouden 'zinvol [zijn] zo lang de maatschappij belang hecht aan de uitslag van psychologische testen'.
Of positivistische tests zinvol zijn of niet dient in de eerste plaats wetenschappelijk aangetoond te zijn en dat is volgens 'Het positivisme en zijn ongeldigheid' niet het geval. Met de weerlegging van die kritiek heeft Van Hoorn geen begin gemaakt, laat staan dat hij haar tot een goed einde zou hebben gebracht.
Dát de maatschappij belang hecht aan testmaten, hangt samen, zowel met de reken- en wiskundige gedaante van tests als met de verwijzing door positivistische psychologen naar de natuurwetenschappen. Beide is echter niet in orde; zie 'Het positivisme en zijn ongeldigheid', §3.
Het zou interessant kunnen zijn om een vergelijking te maken met bijvoorbeeld de praktijk van het aderlaten, onder meer in de zestiende en in de negentiende eeuw. Daar werd toentertijd ook maatschappelijk belang aan gehecht, terwijl het wetenschappelijk niet in orde was.
Omgekeerd, de praktijk profiteert juist optimaal van goed onderzoek dat ten opzichte van de praktijk geheel belangeloos is. Geen fraaier voorbeeld dan de elektrodynamische theorie van de Engelsman Maxwell. Hij bracht bekende wetten op het gebied van elektriciteit en magnetisme met elkaar in verband en werd verrast door het feit dat er lading uit het niets verscheen of in het niets verdween. Die verrassing loste hij op door een term voor de lading toe te voegen zodat de wet van behoud van lading werd hersteld. Aldus ontstonden de beroemde vergelijkingen van Maxwell. Welnu, de Duitser Hertz is vanuit die vergelijkingen proeven gaan uitvoeren en heeft zo de radio ontdekt. Het toepassen van Maxwells vergelijkingen gaat tot op de dag van vandaag verder. Terug naar de tekst[8] Positivistische tests zijn in delen van de hulpverlening verworden tot nalooplijstjes voor gespreksonderwerpen, die elk van de items nu eenmaal ook kunnen zijn. DSM is al lang fors op retour, terwijl wat er van over is, veelal ritualisme is ten behoeve van geldverstrekkers.
Stellig doet men in de neurologie toetsen. Het is echter de vraag of dat positivistische tests zijn of abductief verkregen toetsen. Voorzover men hier kleurenblindheidsplaten toe wil rekenen: daar heb ik voor aangetoond dat ze niet langs inductieve, positivistische weg zijn ontstaan en verbeterd, maar langs abductieve weg; zie E. Vervaet, 'De eerste kleurenblindheidsproeven', Tijdschrift voor de geschiedenis der geneeskunde, natuurwetenschappen, wiskunde en techniek, 1991, vol.14, p.74-95; E. Vervaet, 'Pseudo-isochromatische kleurenblindheidsproeven', Struktuur en genese, 1990, vol.3, p.30-39 en 1991, vol.4, p.18-34; E. Vervaet, 'Zicht op kleur', Natuur en techniek, 1990, vol.58, p.636-647. Terug naar de tekst[9] Dat ben ik met Van Hoorn eens. Dat Van Hoorns stelling juist is, onderstreept eens te meer de zwakte van het positivisme: positivistische getalsmatigheid, formularium en rekenwerk kan het 'weloverwogen advies van de basisschool' ondanks vele decennia ervaring met meerkeuzetoetsen en ondanks vele miljoenen guldens en euro's die aan de Citotoets zijn besteed, nog steeds niet overtreffen. De reden is de inhoudelijke leegheid van die getalsmatigheid, dat formularium en dat rekenwerk, die louter positivistisch-methodologisch van aard zijn. Terug naar de tekst
[10] Als dit waar zou zijn, zou mijn kritiek al in de literatuur van vóór 1900 voorkomen en in andere literatuur van de negentiende eeuw al zijn weerlegt, maar waarom citeert Van Hoorn daar dan niet uit? Ik weet zeker dat beide soorten literatuur niet bestaan, om de eenvoudige reden dat de correlatiecoëfficiënt pas vanaf 1896 bestaat en pas na 1900 door Spearman in de psychologie is geïntroduceerd, regressievergelijkingen er pas vanaf 1899 zijn en puntsschalen vanaf 1932. Bovendien stonden wetenschapshistorie en wetenschapsleer vóór 1900 in de kinderschoenen, terwijl de meeste natuurwetenschappers toen een naïef empiristisch-positivistisch beeld van wetenschap in het algemeen en van de natuurwetenschappen in het bijzonder hadden. Veel abductieve geluiden zijn er toen niet vernomen. Zie bijvoorbeeld de Oostenrijker Mach (1838-1916). Terug naar de tekst
Terug naar de centrale pagina over 8 november.
Klik hier om naar het hoofdmenu te gaan