antwoord d bij het tweede einsteintje
Sedert Newton en meer nog sedert Einstein weten we dat de sterren zich niet op een koepel bevinden (het 'hemelgewelf'), maar dat de ruimte diepte heeft. De eerste stap daartoe zet Okke met een maand of acht.
Waarin komt dat onder meer tot uiting?
d. Hij zoekt voorwerpen en dingen die hij ziet verdwijnen, terug en hij begint te kruipen.
Dit antwoord is juist. Stel, Okke zit op een speeltje te sabbelen. Je neemt het voorzichtig van hem af en verstopt het onder een dekentje dat binnen handbereik vóór hem ligt. Vóór z'n zevende, achtste maand zoekt ie het speeltje niet onder het dekentje terug, maar daarna wel. Dat terugzoeken houdt onder meer in dat hij beseft dat het dekentje vóór het speeltje zit en het speeltje achter het dekentje. Hij krijgt dus besef van diepte. Datzelfde dieptebesef nu maakt dat ie ook zin gaat krijgen om naar dingen toe te kruipen, bijvoorbeeld als twee speeltjes in elkaar verlengde vóór hem liggen: het ene binnen handbereik en het andere erbuiten. Door dat dieptebesef kan ie op het idee komen dat ie wel eens zou kunnen proberen het tweede speeltje te pakken te krijgen, door ernaartoe te kruipen!
Kortom, op grond van dit soort waarnemingen nemen we aan dat Okke vóór z'n achtste maand aanneemt dat z'n directe omgeving, voorzover die buiten handbereik ligt, op een koepel ligt - alles even ver van hem vandaan.
Terug naar het tweede einsteintje als je ook de toelichtingen en/of de verdiepingen bij de onjuiste antwoorden wilt lezen.
Klik hier als je naar de andere zeven einsteintjes wilt.Zie verder Ewald Vervaet, Groeienderwijs; psychologie van 0 tot 3, paragraaf 4.4 (terugzoeken van verdwenen voorwerpen en personen; kruipen, tijgeren, schuifelen en dergelijke).
Verdieping
Voorgangers van Newton als Copernicus en Tycho Brahe (en waarschijnlijk ook Kepler en Galilei, maar van hen weet ik het niet zeker; schrijf me op info@stichtinghistos.nl als je hier meer over weet) gaan ervan uit dat de vaste sterren zich op een koepel bevinden en dat de planeet Saturnus niet al te ver daarvandaan in een baan om de zon (of aarde, volgens Brahe en vrijwel alle pre-Copernicanen) zou draaien. Hun theorieën zijn echter zuiver meetkundig van aard (cirkelvormige banen zowel voor de niet-vaste hemellichamen als voor de vaste sterren als collectief) en zij hebben geen natuurkundige zwaartekrachttheorie. Newton heeft die wel: twee massa's trekken elkaar aan met een kracht die recht evenredig is aan elk van de massa's en omgekeerd evenredig aan het kwadraat van de afstand tussen hun zwaartepunten. Daarom kan het volgens hem niet zo zijn dat naast elkaar staande vaste sterren ook daadwerkelijk dicht bij elkaar staan, want dan zouden ze elkaar aantrekken op grond van hun wederzijdse aantrekking en daar zou in de loop van de eeuwen wat van te merken moeten zijn. De waarnemingen sedert de Oudheid laten echter zien dat de vaste sterren hun onderlinge afstanden behouden zodat het niet voor de hand ligt om aan te nemen dat ze elkaar aantrekken. Newton ziet twee manieren om de vaste onderlinge posities van de sterren en zijn zwaartekrachttheorie met elkaar te verzoenen. De eerste is dat de sterren veel verder van de aarde weg staan dan men voordien aannam. En de tweede is dat in het geval van twee sterrend die zichtbaar heel dicht bij elkaar staan, de één veel verder van de aarde af staat dan de andere. In beide gevallen maakt Newton dus gebruik van de omgekeerde evenredigheid aan het kwadraat van de afstand tussen de zwaartepunten: door aan te nemen dat die afstand veel groter is dat men voordien dacht, wordt de aantrekking tussen twee sterren, die kennelijk slechts schijnbaar dicht bij elkaar staan, vrijwel nihil.