antwoord d bij het derde einsteintje
Toen Einstein een jaar of vijf was - rond 1884 - kreeg hij zijn eerste kompas.
Wanneer ontstaat bij Marit de eerste kiem voor het besef van richting? Waarin komt dat bijvoorbeeld tot uiting?
d. Rond een maand of achttien. Als ze dan uit haar bed of kinderstoel genomen wil worden, strekt ze haar armen naar de dichtstbijzijnde persoon die ze kent en vertrouwt, terwijl ze er 'Uit; uit' bij zegt.
Met ongeveer achttien maanden begint de zogeheten woordenschatexplosie. Marit leert dan de eerstkomende tijd elke dag een aantal woorden bij. Één van haar eerste woorden is 'uit'. Dat is handig want haar wens om opgenomen te worden kan ze daarmee kracht bij zetten. Echter, het feit alleen al dat ze haar wens kenbaar maakt door haar armen naar iemand uit te strekken, geeft al aan dat haar richtingsbesef een zekere ontwikkeling heeft doorgemaakt; zie één van de andere drie antwoordmogelijkheden. Bovendien laat Marits gebruik van het woord 'uit' zien dat ze er wat anders mee bedoelt dan het aangeven van de richting; zie de verdieping hieronder.
Antwoord d is niet dus het juiste; terug naar het derde einsteintje.Zie verder Ewald Vervaet, Groeienderwijs; psychologie van 0 tot 3, paragraaf 7.1 (woordenschatexplosie).
Verdieping
Inderdaad zegt Marit 'Uit; uit' als ze haar armen uitstrekt om ergens uit opgetild te worden. Het merkwaardige is nu dat ze ook 'Uit; uit' zegt als ze haar armen uitstrekt om aan te geven dat ze ergens ingezet wil worden! Haar woord 'uit' kan dus niet op de richting slaan, want de richting is in het tweede geval precies tegengesteld aan die in het eerste geval. Het lijkt er daarom op dat ze in beide gevallen 'Uit; uit' zegt om haar wens ergens uit gehaald of ergens in gezet te worden, kracht bij te zetten, en dat het verwijst naar het uitstrekken van haar armen om verplaatst te worden. Kinderen die onmiddellijk 'uit' en 'in' van elkaar onderscheiden doen namelijk in beide gevallen wat anders. Marits even oude neefje Tobias bijvoorbeeld strekt ook z'n armen met 'Uit; uit' uit als ie uit bed gehaald wil worden, maar als ie erin gelegd wil worden, strekt ie niet z'n armen naar iemand uit, maar hangt ie aan de spijlen van z'n bed met 'In; in'. We zeggen dat 'uit' bij Marit een tweepolig woord (of taalteken) is omdat het twee betekenissen heeft die in het volwassen taalgebruik tegengesteld aan elkaar zijn, terwijl het dat bij Tobias niet is. De tweepolige woorden tonen aan wat algemeen geldt, namelijk dat de allereerste woorden naar handelings- en waarnemingsschema's verwijzen. Marits 'uit' bijvoorbeeld verwijst naar het uitstrekken van haar armen met het oog op een verplaatst worden naar iets van haar voorkeur (bed, kinderstoel, schoot).Zie verder Ewald Vervaet, Groeienderwijs; psychologie van 0 tot 3, paragraaf 7.5 (tweepolige woorden).