antwoord d bij het zesde einsteintje

Einstein is onder meer bekend om zijn fraaie gedachtenexperimenten. Voor gedachtenexperimenten wordt bij Daan de basis gelegd als de zogeheten mentale beelden tot stand komen.
Rond welke leeftijd ontstaan mentale beelden? Denk je dat er een verband is met taal en, zo ja, hoe ziet dat verband er dan uit volgens jou?


d. Mentale beelden ontstaan rond zesentwintig maanden. Er is geen verband met taal: mentale en andere beelden zijn non-verbaal en taal is verbaal.

Wat het eerste onderdeel van het antwoord betreft, mentale beelden ontstaan niet rond zesentwintig maanden, maar - dat kun je uit één van de antwoorden a en b opmaken - rond anderhalf jaar. Wat met zesentwintig maande wel ontstaat is een bijzonder soort mentale beelden, namelijk representaties. In een mentaal beeld vanaf anderhalf kan het kind iets op denknivo doen zonder daarbij een beroep te moeten doen op directe waarnemingen en eigen handelingen. Bijvoorbeeld, in het weten dat een stoel 'stoel' heet, is het onthouden van de klank 'stoel' een mentaal (klank)beeld. Het punt is echter, dat het kind dan een stoel ziet of als het het woord 'stoel' opvangt eventueel naar een stoel loopt of wijst. Het kan dan dus concrete handelingen en/of waarnemingen met een stoel doen. In een representatie is dat niet het geval. Stel, iemand vertelt je over wat hij gisteren heeft gedaan, zonder dat je daar zelf bij bent geweest. Met vrijwel niets in dat verhaal kunnen hij en jij concrete handelingen en/of waarnemingen uitvoeren. Dat jullie er toch over kunnen praten, berust op het feit dat jullie allebei tot representeren in staat zijn.
Dan het tweede onderdeel van het antwoord: er zou geen verband zijn met taal omdat mentale en andere beelden non-verbaal zouden zijn en taal verbaal. In de geest van het antwoord zou ik zeggen: dit is een nogal verbaal antwoord... Ten eerste, 'beeld' hoeft niet per se te slaan op iets dat je kunt zien. We spreken ook van 'klankbeeld', van 'zich ergens een beeld van vormen' en van 'beeldspraak'. In die zin zijn er dus ook verbale beelden. Ten tweede (en dat is belangrijker), in de ontwikkelingspsychologie letten we ook op allerlei dwarsverbindingen tussen wat een kind zich eigen maakt. En dan is het heel goed mogelijk en komt het feitelijk ook heel veel voor dat non-verbale en verbale vermogens bij elkaar horen. Bijvoorbeeld, vanaf een maand of zesentwintig kan Daan op een dambord per vakje één fiche leggen (voordien legt ie die lukraak neer, zonder rekening te houden met de vakjes) én gebruikt ie de lidwoorden 'de' en 'een'. Het eerste is duidelijk iets ruimtelijks en dus non-verbaals en het tweede iets verbaals, maar de overeenkomst is dat Daan in beide iets als een eenheid behandelt: één fiche per vakje respectievelijk die ene poes in 'de poes van oma'. Het is geen toeval dat beide vermogens rond een maand of zesentwintig ontstaan. Beide berusten namelijk op het representeren.
Al met al is dit dus niet het juiste antwoord. Terug naar het zesde einsteintje - wat wordt het: antwoord a of b?

Zie verder Ewald Vervaet, Groeienderwijs; psychologie van 0 tot 3, paragraaf 7.1 (mentale beelden), paragraaf 9.1 (representeren), paragraaf 9.2 (lidwoorden 'de' en 'een') en paragraaf 9.5 (het leggen van één of één).