antwoord d bij het zevende einsteintje
De begrippen 'snelheid' en 'versnelling' krijgen bij Einstein heel nieuwe betekenissen niet alleen ten opzichte van de klassieke natuurkunde, maar ook ten opzichte van het leven van alledag. Luke moet de alledaagse varianten nog verwerven, in de eerste helft van haar derde levensjaar. Je kunt dat duidelijk zien aan de manier waarop ze met zesentwintig maanden reageert op een knikker die door een knikkerspel rolt en die ze tot stilstand wil brengen.
Hoe, denk je? En in welke hoek zoek je de verklaring?
d. Om de knikker in te halen versnelt Luke haar hand - dit heet de versnellingsreactie.
Luke speelt met een knikkerspel dat uit drie banen bestaat. Na een poosje doe je voor hoe je de rollende knikker kunt onderscheppen, namelijk door vóór je de knikker laat rollen een vinger haaks op een baan te leggen, bijvoorbeeld op de helft van baan 2. Als je de knikker hebt onderschept, geef je haar de knikker terug met een zin als 'Kun je dat ook: de knikker pakken?'. Vrijwel steeds zal ze ja zeggen of knikken. Jij: 'Waar dan? Wijs me eens aan waar je de knikker wilt pakken'. Ze zal een plek aanwijzen maar hem voorlopig nog niet op de geschetste manier onderscheppen. Wat ze dan wel doet valt uiteen in twee rubrieken. Ze laten allebei zien dat Luke over tijdbesef begint te beschikken - in de verdieping hieronder kun je lezen dat ze vóór zesentwintig maanden geen tijdbesef heeft en waaruit dat blijkt.
In de eerste plaats, als Luke met haar rechterhand de knikker in het gat van het knikkerspel heeft gedaan, gaat ze geregeld met diezelfde hand versneld achter de knikker aan totdat ze hem inhaalt. Voordien versnelde ze alleen maar om op gang te komen, maar niet om de knikker in te halen. Dat versnellen vanaf een maand of zesentwintig is één van de vele manieren waaruit blijkt dat ze nu tijdbesef heeft. In het versnellen proberen we immers eenzelfde afstand in een kortere tijd af te leggen, bijvoorbeeld om die knikker in te halen.
In de tweede plaats, vanwege dat inhalen zou men kunnen denken dat Luke misschien een eerste besef van de nabije toekomst heeft. Aan de andere kant is het lastiger zich een voorstelling van de toekomst te maken dan van het verleden: het verleden heb je meegemaakt en dus kun je in je geheugen teruggaan, maar dat is onmogelijk met de toekomst want daar heb je nog niets van meegemaakt. En dus rijst de vraag van wat voor aard het allereerste tijdbesef is: besef van het verleden of besef van de toekomst. Als Luke de knikker op de geschetste wijze zou onderscheppen, zouden we zeker weten dat ze met zesentwintig maanden een eerste besef van de toekomst krijgt, maar dat onderscheppen doet ze niet. Vooral op de banen 2 en 3, waar ze immers niet kan versnellen zoals op baan 1, krijg je te zien dat ze nu een besef van het verleden heeft. Ze legt namelijk pas een vinger op een plek op een baan neer als de knikker aan die plek voorbij is gerold! Ze is dan dus te laat! Dit is de te late reactie in de knikkerproef.
Dit is dus het juiste antwoord. Lees ook de toelichtingen en/of de verdiepingen bij de onjuiste antwoorden en ga doortoe terug naar het zevende einsteintje.
Klik hier als je naar de andere zeven einsteintjes wilt.Zie verder Ewald Vervaet, Groeienderwijs; psychologie van 0 tot 3, paragraaf 9.1 (het eerste besef van het verleden) en paragraaf 9.4 (wel besef van het verleden, maar niet van de toekomst).
Verdieping
Vóór zesentwintig maanden heeft Luke geen tijdbesef. Waaruit blijkt dat? We gaan terug naar de fase tussen tweeëntwintig en zesentwintig maanden.
Stel, Luke van vierentwintig maanden zit met een vormenstoof te spelen. Na een minuut of tien gaat ze in een prentenboek zitten kijken. Na een minuutje hou je de vormenstoof bij haar en vraag je haar: 'Wie heeft hier net mee gespeeld?'. Zo lang geleden is het niet dat ze daarmee gespeeld heeft - dat weet ze heus nog wel. Maar kan ze ook op je tijdvraag antwoorden? Het blijkt van niet, want in plaats van 'Ikke' of 'Luke' te antwoorden, pakt ze de vormenstoof weer en gaat ze er weer mee spelen. Óf ze duwt de vormenstoof met 'Nee' van zich weg. Ze vat je vraag 'Wie heeft hier net mee gespeeld?' dus op alsof je vraagt of ze nog eens met de vormenstoof wil spelen. En op die vraag antwoordt ze bij wijze van spreken 'Ja' door de stoof weer ter hand te nemen of 'Nee' door hem weg te duwen. Na een maand of zesentwintig antwoordt ze wel 'Ikke' of 'Luke'. Dan plaatst ze de gebeurtenis 'met de vormenstoof spelen' op een bepaald punt op de tijdlijn (die volgens de wetenschap van het verleden over het heden naar de toekomst loopt), zonder dat ze per se nu iets met de vormenstoof hoeft te doen (er weer mee spelen - wat uiteraard wel kan - of hem weigeren).
Dat Luke vóór zesentwintig maanden geen tijdbesef heeft, komt ook in de knikkerproef naar voren. Anders dan daarna (zie hierboven) versnelt ze namelijk niet om de knikker in te kunnen halen. Als ze al achter de knikker aan gaat met een hand, doet ze dat met een constante snelheid (uiteraard na wel versneld te hebben om op gang te komen). Dat heet de constante achtervolging.
We zeggen dat het kind vóór een maand of zesentwintig in een eeuwig heden leeft. Het heeft geen besef van het verleden en ook niet van de toekomst, zodat ze slechts in het heden leeft.
Wil je meer lezen over het tijdbesef in de eerste drie levensjaren? Klik dan hier. Het kind mag dan vóór zesentwintig maanden in een eeuwig heden leven, maar je zult zien dat dat allerminst betekent dat het tijdbesef zich voordien niet ontwikkelt. Integendeel. Het tijdbesef van een pasgeborene verschilt hemelsbreed van dat van Luke rond haar tweede verjaardag.Zie verder Ewald Vervaet, Groeienderwijs; psychologie van 0 tot 3, paragraaf 8.5 (geen tijdbesef vóór zesentwintig maanden).