antwoord d bij het achtste einsteintje
Vanaf 1912 spreekt Einstein over de tijd als de vierde dimensie. Aan de basis daarvan staat het besef dat verleden, heden en toekomst samen een omvattende tijdlijn vormen. Dat is bij Norbert in de ontwikkeling van z'n tijdbesef te zien.
Hoe, denk je? En waar zou dat mee te maken kunnen hebben?
d. Om in een knikkerspel de rollende knikker tot stilstand te brengen legt Norbert vanaf een maand of eenendertig een vinger tevoren op de plaats waar ie de knikker wil pakken.
Norbert van drieëndertig maanden speelt met z'n knikkerspel dat drie banen heeft. Na een poosje neem je de knikker en zeg je, op de helft van baan 2 wijzend: 'Ik ga hem hier strakjes pakken'. Je legt op die plek een vinger, doet de knikker in het gat, wacht tijdens het rollen van de knikker tot ie bij je vinger tot stilstand komt en pakt hem dan. Dan vraag je: 'Kun jij dat ook?'. Norbert: 'Ja' en doet het inderdaad! Norberts reactie laat zien dat ie nu een besef heeft van de toekomst, van de nabije toekomst wel te verstaan. Immers, als ie z'n vinger neerlegt op de plek waar ie de knikker wil onderscheppen, dan doet ie een toekomstvoorspelling. Ook al zitten daar maar enkele seconden tussen, het is een vorm van toekomstbesef. Omdat alle volwassenen toekomstbesef hebben, moet dat ergens in de ontwikkeling ontstaan - welnu, het ontstaat tussen eenendertig en zesendertig maanden. Klik hier als je wilt weten hoe ie tussen tweeëntwintig en zesentwintig maanden en tussen zesentwintig en eenendertig maanden reageerde.
Dit is dus het juiste antwoord. Lees ook de toelichtingen en/of de verdiepingen bij de onjuiste antwoorden en ga doortoe terug naar het achtste einsteintje.
Klik hier als je naar de andere zeven einsteintjes wilt.Zie verder Ewald Vervaet, Groeienderwijs; psychologie van 0 tot 3, paragraaf 10.2 (de nabije toekomst).
Verdieping 1
Wetenschap berust voor een groot deel op voorspellen, en wel in twee opzichten.
In de eerste plaats speelt voorspellen een belangrijke rol in het natrekken van een theorie. Zo voorspelt Descartes' zogeheten werveltheorie van 1644, die onder meer verschijnselen als de vrije val en de getijden tracht te verklaren, dat de aarde de vorm heeft van een rugbybal, dus met een afplatting aan de evenaar. Omgekeerd voorspelt Newtons zwaartekrachttheorie van 1687, die ook onder meer de vrije val en de getijden tracht te verklaren, dat de aarde de vorm van een pompoen heeft, dus met een afplatting aan de polen. Expedities in de eerste helft van de jaren dertig van de achttiende eeuw naar de evenaar (naar Equador om precies te zijn) en naar Lapland leerden dat de aarde wat haar afplatting betreft op een pompoen lijkt en niet op een rugbybal. Deze experimenten gaven de stoot tot de algemene aanvaarding van Newtons zwaartekrachttheorie van 1687, dus bijna 50 jaar later!
In de tweede plaats doet een theorie waarvan de geldigheid al is aangetoond, allerlei nieuwe voorspellingen. Een bekend voorbeeld is de voorspelling van Halley met behulp van Newtons zwaartekrachttheorie dat een bepaalde komeet in 1758 zou terugkeren. Dat bleek inderdaad het geval te zijn. Daarmee werd die theorie eens te meer stevig verankerd en daardoor werd die komeet sindsdien de komeet van Halley genoemd.
Beide aspecten aan voorspellen komen ook voor in het kader van Einsteins algemene relativiteitstheorie van 1915. Aanvankelijk stonden veel natuurkundigen daar skeptisch tegenover. Die theorie voorspelt echter dat licht van een ster dat langs de zon scheert, door het zwaartekrachtveld van de zon zou worden afgebogen in de richting van de zon; dat is dus de eerste vorm van voorspellen. Omdat daar slechts wat van te zien zou zijn tijdens een totale zonsverduistering, moest men tot 1919 wachten. Op 29 mei van dat jaar zou de zon een betrekkelijk lange periode verduisterd zijn, namelijk een minuut of zes, in een strook van Noord-Brazilië naar West-Afrika. Bovendien zouden de Hyaden, een sterrenhoop in het sterrenbeeld Stier met vrij veel heldere sterren, zich precies achter de zon bevinden. Welnu, het voorspellen van een zonsverduistering valt onder de tweede vorm van voorspellen, namelijk met theorieën van de klassieke natuurkunde, waaronder Newtons zwaartekrachttheorie. De Britse sterrenkundige Eddington organiseert twee expedities, de ene naar Principe, een eiland in de Golf van Guinee voor de Afrikaanse westkust, en de andere naar Sobral in Brazilië. In zijn boek Ruimte, tijd en zwaartekracht van 1920 publiceert hij de resultaten. Die zijn nog steeds niet geheel algemeen aanvaard, maar ze zijn zeker ook niet strijdig met Einsteins theorie van 1915. Eddington: 'Ofschoon het materiaal erg mager was in vergelijking met waar we op hadden gehoopt, achtte de schrijver (die niet geheel onbevooroordeeld was, zo moet hij erkennen [Eddington schrijft hier over zichzelf in de hij-vorm; de samensteller van de Acht Einsteintjes]) het overtuigend'. Einsteins algemene relativiteitstheorie voorspelt namelijk een verschuiving van 1,74 boogseconden (een rechte hoek bestaat uit 90x3600=324.000 boogseconden) en die grootte valt binnen de meetfout van Eddingtons waarnemingen.Verdieping 2
Ook de ontwikkelingspsychologie berust op de twee vormen van voorspellen van verdieping 1.
De eerste vorm doet zich voor bij het ontwerpen van een theorie. Zo voorspelde ik op zeker moment dat het kind tijdens het krassen met een potlood op een kleurplaat vanaf een maand of zesentwintig naast het krassen over de hele plaat ook af en toe over een vakje zou krassen. Die voorspelling kwam uit, hetgeen pleitte voor het vermoeden dan een kind vanaf zesentwintig maanden individualiseert en zaken in een één-op-één-verband kan brengen.
Wat de twee vorm van voorspellen betreft, de theorie over de psychologische ontwikkeling tussen geboorte en een jaar of drie, de circuittheorie, voorspelt dat het kind dat geen tijdbesef heeft, eerst een besef van het recente verleden zal krijgen en daarna een besef van de nabije toekomst. Voor het verledenbesef zie antwoord d bij het zevende einsteintje en voor het toekomstbesef hierboven. De circuittheorie kan echter niet voorspellen wanneer een overgang van heden naar verleden of van verleden naar toekomst plaats heeft. Verder zijn er in de knikkerproef ten minste twee reacties in de fase van het eerste verledenbesef: de versnellingsreactie en de te late reactie; zie eveneens antwoord d bij het zevende einsteintje. De circuittheorie kan echter evenmin voorspellen of een bepaald kind vooral de versnellingsreactie zal vertonen of juist de te late reactie.
Naast overeenkomsten met het voorspellen in de natuurkunde zijn er kennelijk ook verschillen. Dat wil zeggen, als proces is het voorspellen in de natuurkunde gelijk aan dat in de ontwikkelingspsychologie, maar inhoudelijk is het belangrijkste verschil dat het natuurkundige voorspellen concrete gebeurtenissen betreft (het optreden van een zonsverduistering op een bepaalde plaats op aarde; het al dan niet afbuigen van een lichtstraal), terwijl het psychologische voorspellen niet over concrete gebeurtenissen gaat maar over functioneringswijzen en over vermogens, kortweg over operaties, gaat. Het gaat ontwikkelingspsychologen niet om de vraag op de hoeveelste levensdag een kind z'n eerste toekomstbesef krijgt, maar om de vraag of het toekomstbesef er eerder is dan het verledenbesef of juist andersom.Zie verder Ewald Vervaet, Groeienderwijs; psychologie van 0 tot 3, paragraaf 9.5 (één op één), de paragrafen 12.1-7 (de circuittheorie) en paragraaf 12.8 (psychologische operaties).