antwoord c bij de zevende doordenker

Schools onderricht vereist dat je als leerling een half uur je mond houdt en op je plaats blijft zitten bij de rekenles. Ook als je zelf op dat moment liever zou lezen of spelen. Erna van bijna 6 kan al wat lezen en rekenen en is van zichzelf niet zo spraakzaam en beweeglijk.
Is Erna eerder aan schools onderricht toe dan spraakzame en beweeglijke kinderen?


c. Nee, waarschijnlijk niet. Door haar geringe spraakzaamheid heeft Erna misschien een taalachterstand en door haar geringe beweeglijkheid beheerst ze haar spieren misschien te weinig, een voorwaarde bij het schrijven.

Mate van spraakzaamheid heeft niets te maken met taalachterstand en mate van beweeglijkheid niets met spierbeheersing. Bijvoorbeeld, wanneer een zwijgzaam kind en een spraakzaam kind allebei in de kleuterfase (4,5-6,5 jaar) zitten, beschikken ze allebei over dezelfde psychologische structuur. Daarom kunnen ze bepaalde begrippen snappen en bepaalde grammaticale constructies gebruiken en vatten. Het enige verschil is dat het zwijgzame kind weinig gebruik maakt van die structuur en het spraakzame veel. Het spraakzame geeft zichzelf dus op het niveau van de kleuterfase meer oefening dan het zwijgzame kind. In die zin zullen er spraakzame kinderen zijn met een rijkere woordenschat en die meer gevarieerde zinnen maken dan hun stillere vriendjes en vriendinnetjes. Maar je hebt ook slordige veelpraters en zorgvuldig formulerende zwijgers…
Dit is dus niet het juiste antwoord.
Terug naar de zevende doordenker.

Zie verder Ewald Vervaet, Naar school; psychologie van 3 tot 8, hoofdstuk 3 (kleuterfase 13).