STICHTING HISTOS

 

 

Samenvatting van de inhoud van
Het raadsel intelligentie; wat kan jouw kind tussen 3 en 8?
(Utrecht, Kosmos, 2010)

Voorwoord
Suus Ruis herkent de fasen van het boek goed bij haar zoon van bijna twee goed: 'Over het algemeen genomen volgt mijn spruit keurig de fasen die Ewald Vervaet beschrijft'.

Ten geleide
Prof.dr. Peter Luijten (UMCU van de Universiteit Utrecht): 'Ewald Vervaet laat met eenvoudige voorbeelden zien hoe kinderen zich steeds meer elementaire vaardigheden eigen maken. Hij geeft een centrale plaats aan de wisselwerking tussen het kind en zijn omgeving, waarbij de neurologische ontwikkeling toegevoegd wordt als een van de zes bepalende factoren'.

Inleiding. Intelligentie: erfelijkheid, omgeving en ...?
Dit boek behandelt de erfelijkheid-omgeving-kwestie met behulp van de ontwikkelingspsychologische methode en vanuit de wisselwerkingspositie (hoofdstuk 3). Geschetst wordt hoe Vervaets zesledige wisselwerkingstheorie zich verhoudt tot Piagets vijfledige wisselwerkingstheorie van 1936.

Hoofdstuk 1. Het verdwenen blokje
De drie basisbegrippen van het boek – intelligentie, erfelijkheid en omgeving – worden uiteengezet. Daarop volgt een korte schets van de geschiedenis van de erfelijkheid-omgeving-kwestie, vanaf Plato tot en met Piaget: er zijn vijf verschillende benaderingen om die kwestie tot een oplossing te brengen - 'erfelijkheid', 'omgeving', 'deels erfelijkheid, deels omgeving', 'erfelijkheid plus omgeving' en 'wisselwerking kind-omgeving'. Daardoorheen lopen drie methodes: de filosofische, de statistische en de ontwikkelingspsychologische. Het raadsel intelligentie werkt vanuit de wisselwerkingspositie en met de ontwikkelingspsychologische methode.

Hoofdstuk 2. De prilste verstandelijke vermogens
Een aantal verstandelijke vermogens die in de drie eerste levensjaren opkomen, wordt geschetst. Een theorie over de verhouding tussen erfelijkheid en omgeving dient deze vermogens namelijk te verklaren.

Hoofdstuk 3. Vermogens ontstaan als iets nieuws
Om de vermogens van hoofdstuk 2 te op feitelijk houdbare wijze te kunnen verklaren zijn zes factoren nodig: naast de twee gangbare, 'erfelijkheid' en 'omgeving', zijn dat 'neurologische groei van de uitlopers van de zenuwcellen', 'wisselwerking kind-omgeving', 'psychologische structuur van het betreffende vermogen' en 'ontwikkeling van de ene psychologische structuur naar de volgende'. 'Wisselwerking' staat uit een vraag-antwoord-spel vanuit het kind met de prikkels vanuit zijn omgeving, namelijk om verschijnselen die het aanvankelijk niet begrijpt, te proberen te begrijpen. Het is een psychologisch en geen tussenmenselijk proces.
Kortweg: 'erfelijkheid', 'omgeving', 'neurologie', 'wisselwerking', 'structuur' en 'ontwikkeling'. Omdat 'wisselwerking' de doorslag geeft, spreken we van de 'zesledige wisselwerkingstheorie'.
De zesledige wisselwerkingstheorie wordt geschetst voor het staren, blijven knijpen, vocaliseren, drinken en glimlachen van fase 2 (1-4 maanden), voor grijpen naar wat je ziet van fase 3 (4-8 maanden), voor het verwijderen van een hindernis en het regelmatige brabbelen van fase 4 (8-12 maanden), voor het egocentrische wijzen en het gevarieerde brabbelen van fase 5 (12-15 maanden) en voor het vormen van samengestelde zinnen van fase 10 (31-36 maanden). Het onderwerp 'nieuwvorming' staat hierbij centraal: een nieuw vermogen komt niet uit de omgeving, zat niet in het erfelijke pakket, maar ontstaat als iets geheel nieuws op het moment van ontstaan.
Hierna wordt het begrip 'fase' uit de doeken gedaan: fasen hebben kenmerkende psychologische structuren (de vermogens delen die kenmerken met elkaar en zijn niet zomaar bij elkaar geveegd), ze ontwikkelen zich logisch uit elkaar (het zijn dus geen metamorfosen), en ze hebben verklarende kracht (namelijk voor nieuwe vermogens die rond dezelfde tijd blijken te ontstaan). Het onderscheid tussen 'kalenderleeftijd' (tijd na geboorte) en 'psychologische leeftijd' (fase waarin het kind in een bepaald opzicht verkeert: bewegen, taal, ruimtebesef en dergelijke) is heel belangrijk.
Het sterke vermoeden wordt uitgesproken dat de zesledige wisselwerkingstheorie het raadsel intelligentie oplost. De definitieve conclusie wordt tot hoofdstuk 12 uitgesteld.

Hoofdstuk 4. Erfelijkheid-omgeving bij de Grieken
De oudste erfelijkheidstheorie is van Plato, de oudste omgevingstheorie van Aristoteles. Sindsdien bestaat de erfelijkheid-omgeving-kwestie. Aan de hand van Plato's en Aristoteles' theorieën wordt duidelijk gemaakt dat erfelijkheids- en omgevingstheorieën, hoe tegengesteld ook, elkaars spiegelbeeld zijn: de overwaarderen beide één factor (namelijk 'erfelijkheid' respectievelijk 'omgeving') en dat gaat steeds ten koste van een evenwichtige wisselwerking tussen het kind (en zijn erfelijke bagage) en zijn omgeving.
In verband met erfelijkheidstheorieën in het algemeen (ook van de hoofdstukken 7-11) wordt kort stilgestaan bij biologische erfelijkheid. En in verband met omgevingstheorieën in het algemeen (ook van de hoofdstuk 7-11) wordt uiteengezet dat vóórdoen voor het kind tevergeefs is wanneer het kind niet in de betreffende fase zit.

Hoofdstuk 5. Vanuit de therapiekamer
Volgens de psychoanalytische theorieën van Freud en Erikson worden de vermogens deels door de erfelijkheid verklaard en deels door de omgeving. Bijvoorbeeld, alle seksuele oriëntaties zouden volgens Freud in het erfelijke pakket zitten, maar omgevingsomstandigheden zouden er daar één uitlichten. Ook het bijeenvoegen van 'erfelijkheid' en 'omgeving' doet geen recht aan de wisselwerking die er feitelijk blijkt te zijn tussen het kind en zijn omgeving (zie hoofdstuk 3).

Hoofdstuk 6. Invloeden bij elkaar opgeteld
De Brit Galton benadrukt sedert 1865 dat aandelen erfelijkheid bij elkaar opgeteld zouden dienen te worden: de helft van de vorige generatie, een kwart van de generatie daarvóór, een achtste van de generatie daarvóór, en zo terug met 1/16, 1/32 enzovoort. De Brit Fisher blijft in 1918 bij dat optellen maar dan tussen gelijkwaardige delen erfelijkheid en omgeving. Zijn formule is de basis van de klassieke gedragsgenetica. Sedert 1954 wordt daaraan een term toegevoegd voor 'statistische wisselwerking' die echter niets van doen heeft met psychologische wisselwerking in de zin van hoofdstuk 3. Die formule is de basis van de moderne gedragsgenetica.
Niet alleen vanuit psychologisch standpunt maar ook vanuit biologisch standpunt is het optellen zoals dat in de gedragsgenetica wordt gedaan, een achterhaalde en onproductieve zaak. Met name laten gedragsgenetici het ten onrechte achterwege om onbegrepen verschijnselen te proberen te verklaren. Dat blijkt ook al uit Galtons tweelingonderzoek van 1875: hij schetst enkele interessante verschijnselen, zoals persoonsverwisselingen door eeneiige tweelingen, maar geeft er geen verklaringspoging voor. De verklaring vanuit de zesledige wisselwerkingstheorie van hoofdstuk 3 wordt gegeven.

Hoofdstuk 7. De herkomst van ruimte- en tijdbesef
Vele ruimtelijke en tijdelijke vermogens van vóór drie jaar worden geschetst. De zesledige theorie van hoofdstuk 3 verklaart deze vermogens, maar Lockes omgevingstheorie ('ideeën meubileren het lege kabinet') en Kants erfelijkheidstheorie ('a priori kennis') niet.


Hoofdstuk 8. De bron van de taalbeheersing
De taalverwerving tot drie jaar wordt op hoofdlijn gepresenteerd. De zesledige theorie van hoofdstuk 3 verklaart deze vermogens, maar Skinners omgevingstheorie ('operant conditioneren') en Chomsky’s erfelijkheidstheorie ('aangeboren taalverwervingsmechanisme') niet.

Hoofdstuk 9. De kiemen van zelfkennis
Een aantal vermogens in het omgaan met zelfkennis van vóór drie jaar wordt gepresenteerd. De zesledige theorie van hoofstuk 3 verklaart deze vermogens, maar Jungs erfelijkheidstheorie ('archetypen') en Watsons omgevingstheorie ('klassiek conditioneren') niet.

Hoofdstuk 10. Waar komt de identiteit vandaan?
De vermogens van vóór drie jaar in het weergeven van hoe men zich ervaart, worden geschetst. De zesledige theorie van hoofdstuk 3 verklaart deze vermogens, maar Descartes’ erfelijkheidstheorie ('ik denk, dus ik besta') en Meads omgevingstheorie ('geïmporteerd Mij') niet.

Hoofdstuk 11. De wortels van de sociale intelligentie
De vermogens in de omgang met anderen, die er vóór drie jaar zijn, worden geboden. De zesledige theorie van hoofdstuk 3 verklaart deze vermogens, maar Rousseau’s erfelijkheidstheorie ('de natuurlijke mens') en Bandura’s omgevingstheorie ('leren door imiteren') niet.

Hoofdstuk 12. Slotbeschouwing
De zesledige wisselwerkingstheorie van hoofdstuk 3 wordt uitgebreid naar de fasen tussen 3 en 8 jaar. Ze blijkt de erfelijkheid-omgeving-kwestie tot een oplossing te brengen. De consekwenties hiervan voor onderwijs zijn groot: niet zozeer de leerkracht en zijn 'methodiek' doen ertoe (zoals de omgevingspositie stelt - zij is dominant in de onderwijspedagogie van 2010), maar de gelegenheid die het kind krijgt om zélf dingen te kunnen ontdekken (zoals de wisselwerkingspositie stelt).
Om zes redenen is Piagets vijfledige theorie van 1936 weinig bekend: om drie daarvan is ze onbekend onder psychologen; filosofen proberen haar uit de ontwikkelingspsychologische sfeer in de filosofische te trekken; Piagets debat met Chomsky (1975) heeft weinig goeds gedaan (en kan worden heropend); Piagets aandacht voor de factor 'neurologie' kon slechts beperkt zijn.

Er worden geregeld cursussen, lezingen en dergelijke gehouden over Het raadsel intelligentie. Ga voor meer informatie daarover naar de agenda van Stichting Histos. Klik hier
.

 
©2004stichtinghistos