antwoord d bij de zesde doordenker
Sedert Gerda eenentwintig maanden is, attendeert ze er haar ouders geregeld op dat ze in haar luier heeft geplast of gepoept, doorgaans door ‘poept’ (voor ‘gepoept) of ‘lasje daan’ (voor ‘plasje gedaan’) te zeggen.
Waar heeft dit attenderen mee te maken?
d. Al enkele maanden wil Gerda je in alles nadoen: als jij stof zuigt, wil zij met een reservedeel van de slang spelen en als jij de meubels verzet, gaat zij tegen stoelen duwen. Zo wil ze zindelijk worden, omdat jij geregeld naar het toilet gaat - ze begrijpt inmiddels wat je daar doet.
Dit antwoord is niet juist. Het is zeker waar dat Gerda je vanaf een maand of zeventien bij allerlei huishoudelijke en andere bezigheden wil nadoen. Dat is het befaamde ‘meehelpen’. Echter, ook zonder dat je aan het stofzuigen bent, is Gerda dan in staat om met een reservedeel van de stofzuigerslang te spelen. En ook zonder dat je het meubilair herschikt, kan ze een stoel voortduwen. (Wat dat laatste betreft: zo tussen twaalf en vijftien maanden lopen veel kinderen door een stoel voor zich uit te duwen – als het vloeroppervlak dat althans toestaat.) En ze vindt het zeker ook interessant om bij jou in het toilet te zijn of in de buurt daarvan, als je daar naartoe gaat. Veel kinderen vinden het in deze fase dan ook leuk om op een potje te gaan zitten als jij op de wc zit. Maar dat is, net als het spelen met stofzuigeronderdelen terwijl jij aan het stofzuigen bent, alleen een nabootsing van jou bewegingen. Om het beginsel van de zindelijkheid zelf te begrijpen zal er toch echt wat in Gerda’s hersentjes en in haar psychologische structuur moeten veranderen! Zie daarom de drie andere antwoorden – het juiste zit daarbij. Daarom: terug naar de zesde doordenker.
Zie verder E. Vervaet, Groeienderwijs; psychologie van 0 tot 3, 5.4 (geleid lopen), 7.9 (‘meehelpen’), 12.7 (neuronale verbindingen) en 12.8 (psychologische operaties).