antwoord d bij de zevende doordenker

Ooit zal Victor weten dat hij een jongetje is en dat andere kinderen een jongetje of een meisje zijn.
Vanaf wanneer weet hij dat? En waaruit blijkt dat?


d. Vanaf zesendertig maanden. Hij weet nu wat van wie is en dus ook dat jongens en mannen uitwendige lichaamsdelen hebben die meisjes en vrouwen niet hebben, en omgekeerd.

Dit is het juiste antwoord: als Victor een Kim, een Sjaak, een Eefje en een André kent, antwoordt hij op jouw vragen ‘Is Kim een meisje? Is Sjaak een meisje? Is Eefje een jongetje? Is André een jongetje?’ ‘Ja. Nee. Nee. Ja’. Nadat rond eenendertig maanden het onderscheid naar ik en de ander is ontstaan, ontstaat rond de derde verjaardag het onderscheid naar mijn en dijn. Om deze zin te begrijpen gaan we in drie stappen te werk.
We beginnen bij zesentwintig maanden. Dan ontstaat het besef een individualiteit te zijn met een eigen psychologisch innerlijk en een (recent) verleden. Doordat dan het representeren ontstaat, kan Victor gedachten vormen die onttrokken zijn aan het directe hier-en-nu van zijn omgeving. In het overstijgen van het ‘hier’ ontdekt hij dat hij een innerlijk heeft. Dat komt onder meer tot uiting in een zin als ‘Ik wil plakken’. Immers, juist als er in het geheel geen plakspullen of geplakte werkstukjes te zien zijn, kan die zin maar één verwijzing hebben: Victors psychologische innerlijk. Hij bespeurt in en bij zichzelf een zin in plakken en dat beschrijft hij en deelt hij mee met de zin ‘Ik wil plakken’. Tevens ontdekt hij in het overstijgen van het ‘nu’ dat er zoiets is als een verleden.
De tweede stap valt rond eenendertig maanden, als het identiteitsbesef ontstaat. Daarin dicht Victor zowel zichzelf als de ander een eigen psychologisch innerlijk toe. In de eerste stap dichtte hij óf zichzelf óf de ander een individualiteit toe. Als twee individualiteiten toen samen kwamen, koos hij voor zichzelf. Bijvoorbeeld, als hij op vaders schoot wilde zitten terwijl die met een scherp mesje een appel aan het schillen was, verdroeg hij het niet dat hij even niet bij papa op schoot mocht. Dreinend, huilend en soms zelfs krijsend maakte hij dan zijn willetje kenbaar. Het op elkaar coördineren van de eigen wens (‘ik wil op schoot zitten’) en andermans wens (‘nu mag je niet bij me zitten; strakjes wel’) is pas mogelijk in de tweede stap. De ander is dan niet meer louter instrument voor de eigen behoeftebevrediging, maar heeft ook wat te willen, juist als diens wens vooralsnog niet met de eigen wens strookt.
In de derde stap, zo vanaf zesendertig maanden, vindt andermaal een overstijging plaats, namelijk die van ik-jij naar mijn-dijn in het mijngevoel. Zeker, al veel eerder maakte Victor kenbaar dat hij iets wilde, ook met taal: ‘ikke!’ of ‘mij!’. Dat waren echter hebkreten die ie van oudere kinderen had opgevangen als een volwassene bijvoorbeeld vroeg ‘Wie wil er een ijsje?’ of als een ander kind in het touwtrekken om een stuk speelgoed uit alle macht riep ‘Dat is van mij!’. Het probleem zit echter niet in het willen hebben van iets lekkers of iets leuks, maar in het respecteren van twee feiten. Die feiten zijn: iets dat ik leuk vind, is niet persé van mij; en er zijn dingen die ik niet leuk (meer) vind, terwijl ze nog steeds van mij zijn (zodat ik ze moet opruimen na gebruik of voor reparatie moet zorgen als ze kapot zijn). Welnu, de eigen lichaamsdelen, met inbegrip van de geslachtsdelen, horen ook bij het mijngevoel. Anders dan al ons ander bezit zijn lichaamsdelen zelfs onvervreemdbaar.
Terug naar de zevende doordenker als je de toelichtingen bij de onjuiste antwoorden wilt lezen.
Klik hier als je naar de andere zes doordenkers wilt.

Zie verder E. Vervaet, Groeienderwijs; psychologie van 0 tot 3, 9.1 (representeren en recent verleden), 9.3 (individualiteit met een recent verleden), 9.7 (het hulpwerkwoord ‘willen’), 10.3 (identiteitsbesef) en E. Vervaet, Strukturalistische verkenningen in kennisleer en persoonlijkheidsleer (Universiteit van Amsterdam, 1986), 34.1 (mijngevoel).


ooooo=ooooo

Praktische verzorgingstips van Joyce Honing en Petra Weeda

Ook al kan Victor met 36 maanden het onderscheid tussen jongen of meisje maken, het betekent nog niet echt veel voor hem. Hij herkent de uiterlijke verschillen en hij weet ook dat hij zelf een jongen is, maar dat wil nog niet zeggen dat hij zichzelf innerlijk ook werkelijk beleeft als een jongen. In de peuterleeftijd komt het bijvoorbeeld nogal eens voor dat jongetjes een jurk aan willen, alleen maar omdat hun buurmeisje ook een jurk aan heeft. Voor ouders kan zo’n wens nogal confronterend zijn, maar hij heeft in de regel niets te maken met een verlangen bij het kind om anders te zijn dan het is.
Ook hoeft het feit dat je kind vanaf drie jaar het uiterlijke onderscheid kent tussen een jongen en een meisje geen gevolgen te hebben voor je manier van opvoeden. Tenzij het de nadrukkelijke wens van je zoontje is, hoef je geen babypop aan zijn speelgoed toe te voegen om het vrouwelijke in hem te stimuleren, of je dochter een brandweerauto te geven om het tegenovergestelde effect te bereiken. Niets tegenhouden, maar ook niets nadrukkelijk toevoegen is op deze leeftijd de meest geschikte pedagogische houding om je kind in de gelegenheid te stellen het mens te worden dat het wil zijn.

Het echte, innerlijke bewustzijn dat je als jongen anders bent dan een meisje, komt pas in de loop van de basisschoolleeftijd. Dan realiseert een kind zich dat de wereld niet eenduidig is. En dan kan het ook leren leven met die verschillen.

Terug naar de zevende doordenker als je de toelichtingen bij de onjuiste antwoorden wilt lezen.
Klik hier als je naar de andere zes doordenkers wilt.