Klikt u hier als u terug wilt naar Vervaets brieven van 28 april en 20 november 2006
Klikt u hier om naar het hoofdmenu te gaanNotitie bij de samenvattingen van Koornstra en Van Hoorn
dr. Ewald VervaetOndanks de goede bedoelingen van alle sprekers is de beoogde discussie niet werkelijk van de grond gekomen daar Koornstra en Van Hoorn niet ingaan op de kritiek zoals die is verwoord in 'Het positivisme en zijn ongeldigheid' van 28 april 2006. Daarnaar wordt hieronder verwezen, tenzij anders vermeld.
Koornstra rekt de definitie van positivisme (‘Onder positivisme versta ik die wetenschapsfilosofische en methodologische stroming waarin men onder meer met puntsschalen, correlatiecoëfficiënten en regressieanalyse werkt’; p.1) zodanig op, dat zowel inductie (‘inzichten, wetten en theorieën komen uit waargenomen feiten voort’; p.2) als abductie (‘ter verklaring van een verrassing werpt men een theorie op, die men vervolgens met nieuwe feiten op haar empirische houdbaarheid natrekt’; p.3) eronder vallen.
Omdat ‘inductie’ (verklaringen komen voort uit waarnemingen) en ‘abductie’ (verklaringspogingen zijn creaties van onderzoekers) haaks op elkaar staan, is Koornstra’s betoog innerlijk strijdig. Daardoor kan hij veel meer beweren dan hij waar kan maken.
In de eerste plaats kan Koornstra de kritiek op de inductieve, positivistische psychologie afdekken door te doen alsof die abductief is. Een voorbeeld is zijn omvorming van De Groots inductieve ‘empirische cyclus’ naar de abductieve onderzoekscyclus (p.3). Echter, De Groot (i) heeft geen ‘(denk-)psychologische benaderingswijze’ (Methodologie, 1961, p.26) op het oog en kan dus geen abductie insluiten, (ii) begint bij de ‘situatie zoals die zich voordoet aan O = organisme’ (ib, p.2), wat inductief zou kunnen uitmonden in ‘nomologische netwerken’ (ib, p.84v) en (iii) laat zich positief uit over ‘metrische schalen’ (ib, p.51), terwijl die uit abductief oogpunt afgewezen dienen te worden (zie 'Puntsschalen, niet terecht toegepast').
In de tweede plaats kan Koornstra ten onrechte aanspraak maken op successen voor de inductieve psychologie door op theorieën te wijzen, die in werkelijkheid abductief van aard zijn. Zo werkt Levelt in zijn boek Speaking; from intention to articulation (Koornstra’s referentie 10) niet inductief met puntsschalen, correlatiecoëfficiënten en/of regressievergelijkingen en wel abductief door te trachten een verklaring te geven voor het feit dat we gedachten in woorden (en zinnen) kunnen omzetten, en door daar ondersteunende empirische feiten voor aan te dragen.
In de derde plaats kan Koornstra het Raschmodel, de datatheorie en de item-respons-theorie (zijn referenties 7-9) aanmerken als ‘kennisvermeerderende theorievorming’. Ze bevatten echter slechts methodologische overwegingen in een inductief kader en allerminst psychologisch-inhoudelijke theorieën als verklaringspogingen voor verrassingen in een abductief kader. Voor de datatheorie zie 'Puntsschalen, niet terecht toegepast'.Wat Van Hoorn betreft, ten eerste, hij gaat aan 'Het positivisme en zijn ongeldigheid' voorbij door niet te verdisconteren dat er een definitie van positivisme in staat (zie boven) en dat de verwijzing naar de natuurwetenschappen nog actueel is (zie Koornstra’s parallel tussen positivistische puntsschalen en natuurkundige temperatuurschalen).
Ten tweede, Van Hoorn stelt dat mijn kritiek hooguit 5% van de psychologie betreft. Echter, de positivistische psychologie domineert in de 90% praktische en de 5% toegepaste psychologie van zijn indeling.
Ten derde, Van Hoorn poneert slechts dat er met correlatiecoëfficiënten en regressievergelijkingen ‘niets mis’ is, maar weerlegt de kritiek daarop in 'Het positivisme en zijn ongeldigheid' (p.5 en 'Statistiek en de statistieken' in noot 27) niet.
Ten vierde, Van Hoorn noemt het Raschmodel, de datatheorie en de item-respons-theorie ‘belangrijke nieuwe ontwikkelingen’. Zie echter de laatste alinea van de bespreking van Koornstra’s samenvatting.
Ten vijfde, Van Hoorn erkent dat ‘Intelligentie is wat deze IQ-test meet’ alles is, wat de positivistische psychologie op dit gebied in theoretisch opzicht heeft opgeleverd.
Ten zesde, Van Hoorn noemt tests voor redeneervermogen en verbaal vermogen ‘heel interessant’ voor de praktijk. Echter, of die tests daadwerkelijk iets psychologisch meten, hangt af van de vraag of ze toepassingen zijn van psychologische verklaringspogingen voor aanvankelijk onbegrepen psychologische verschijnselen, die bovendien empirisch houdbaar zijn gebleken. Aangezien dat alles niet het geval is, reiken die tests in theoretisch opzicht slechts tot ‘Dit vermogen is wat deze vermogenstest meet’, vergelijkbaar met ‘Intelligentie is wat deze IQ-test meet’. Al met al is het onduidelijk welke praktische waarde gehecht zou kunnen worden aan metingen met zulke tests.Kortom, Koornstra en/of Van Hoorn erkennen dat de positivistische psychologie niet kennisvermeerderend is (getuige ‘Intelligentie is wat deze IQ-test meet’), maar weerleggen de kritiek in 'Het positivisme en zijn ongeldigheid' niet, doen uitspraken die ze niet hard (kunnen) maken (zoals over psychologische kennisvermeerdering in de positivistische psychologie) en ontkennen aantoonbare praktijken (zoals de positivistische legitimering met de natuurwetenschappen). Daarom acht ik mijn kritiek op de positivistische psychologie in het algemeen en de drieledige conclusie in mijn brief aan de KNAW van 28 april 2006 in het bijzonder onverminderd van kracht.
Klikt u hier als u terug wilt naar Vervaets brieven van 28 april en 20 november 2006Klikt u hier om naar het hoofdmenu te gaan