Klik hier als u terug wilt naar Vervaets brieven van 28 april en 20 november 2006
Klik hier om naar de overige artikelen te gaan
Klik hier om naar het hoofdmenu te gaan

Puntsschalen, niet terecht toegepast
dr. Ewald Vervaet

De positivistische psychologie wordt in 'Het positivisme en zijn ongeldigheid' onder meer met de Nederlandse PersoonlijkheidsVragenlijst (NPV) toegelicht. Één van de 19 items voor de NPV-dimensie Verongelijktheid luidt: ‘Er zijn maar weinig mensen, die mij begrijpen’. Daaraan is een puntsschaal verbonden want men kan er ‘juist’, ‘?’ of ‘onjuist’ op antwoorden. Dat levert 3, 2 respectievelijk 1 punt(en) op voor de totale score. Deze puntsschaal is vooropgezet in plaats van psychologisch-feitelijk. We bekijken dit vanuit het door Koornstra bepleite model van de grondlegger van de datatheorie, de psycholoog Coombs, in diens boek A theory of data (1964).

1. Onderzoekscyclus en abductie
Volgens de onderzoekscyclus ontstaat kennis in drie stappen.[1]
a. Ten opzichte van een houdbaar geachte achtergrond doet men waarnemingen die daarvan afwijken.
b. Die verrassingen tracht men te verklaren.
c. De verklaringspoging trekt men empirisch na. Bij gebleken houdbaarheid wordt ze een empirische verklaring en kan ze eventueel worden toegepast.
Enzovoort, want vroeg of laat doet zich een hogere-orde-verrassing voor, die een hogere-orde-verklarings-poging vergt, die ook weer wordt nagetrokken. Het empirische natrekken van een verklaringspoging met nieuwe feiten heet abductie.

2. Inductie en theorieloze data
In het positivisme werkt men inductief: uit de data zou een theorie voortkomen.[2] Zo zouden volgens Coombs met puntsschalen verkregen data een ‘stevige basis zijn voor theorievorming’: ‘measurement and scaling (which seems such a firm foundation for theory building)’.[3]
Ook zouden ‘relaties, orde en structuur’ uit de data voortkomen als ‘logische consequentie van de data’. Zo onderscheidt Coombs in inductief onderzoek drie stappen. Pas in de laatste stap zou ‘detection of relations, order, and structure which follow as a logical consequence of the data’[4] plaats hebben. Wanneer ‘relaties, orde en structuur’ echter uit data geacht worden voort te komen, hebben die data zelf kennelijk geen expliciete ‘relaties, orde en structuur’, wat ze psychologisch-inhoudelijk tot theorieloos maakt.

3. Abductieve aanzet in inductief kader
In tegenspraak met het algehele inductieve kader van het positivisme (§2) bevat Coombs drie-stappen-model een abductieve aanzet. Hij vat kennis namelijk behalve als voortkomend uit data ook op als het ‘resultaat van theorie’ en stelt dat ‘we informatie met aannames kopen’: ‘A measurement or scaling method is actually a theory about behavior. […] This illustrates the general principle that all knowledge is the result of theory – we buy information with assumptions – “facts” are inferences, and so also are data and measurements and scales’.[5]
Inderdaad is kennis het resultaat van theorie, namelijk voorzover de theorie een verklaringspoging is (§1, b). En inderdaad, ‘we kopen informatie met aannames’, namelijk omdat een verklaringspoging uit aannames bestaat en voorzover die verklaringspoging empirisch wordt nagetrokken en houdbaar is gebleken (§1, b en c).

4. Vooropgezet in plaats van psychologisch-feitelijk
Wat betreft ‘A measurement or scaling method is actually a theory about behavior’, bekeken vanuit de onderzoekscyclus (§1) is een NPV-item met enige goede wil te duiden als een deel van een verklaringspoging. Vanuit de houdbare gedachte dat voor iedereen 3+5=8 geldt, is het immers verrassend dat niet iedereen hetzelfde reageert op ‘Er zijn maar weinig mensen, die mij begrijpen’. De verklaringspoging daarvoor is ‘De verzameling antwoordmogelijkheden {‘juist’, ‘?’, ‘onjuist’} is nodig en voldoende en de toekenning van 3, 2 respectievelijk 1 punt(en) dekt die verzameling volledig’.
In kennisgenererende empirische wetenschapsbeoefening trekt men een verklaringspoging na en past men haar pas toe na gebleken empirische houdbaarheid (§1, c). In positivistisch psychologisch onderzoek met puntsschalen daarentegen wordt de verankeringsstap tussen verklaringspoging en toepassing overgeslagen. Dat gebeurt ook bij de NPV. Dat wil zeggen, zonder dat empirisch is aangetoond dat het item “‘Er zijn maar weinig mensen, die mij begrijpen’ – ‘juist’ (3 punten), ‘?’ (2 punten), ‘onjuist’ (1 punt)” niet slechts een door mensen bedacht construct is maar ook naar iets psychologisch-feitelijks verwijst, wordt het toch toegepast.
Dit geldt ook voor de overige 18 verongelijktheidsitems. Ze zijn daarom vooropgezet en leveren geen psychologische feiten op maar getalsmatige artefacten.

5. Niet-eigenlijke optelling
Om tot een totaalscore voor verongelijktheid, SVE, te komen hanteert men feitelijk de formule

19
∑si = SVE met si = 1,2,3.
i=1

Dat er 19 items zijn en de optelbaarheid van de deelscores zijn eveneens een deel van de verklaringspoging van §4. Om echter te kunnen weten of zo’n optelling niet van het kaliber ‘3 schapen + 5 vreugdes = 8 erfrechten’ is, heeft men een psychologische theorie (als verklaringspoging of als empirische verklaring; §1, b en c) nodig, maar die is er niet. Sterker, die hoeft er in een positivistisch kader niet te zijn omdat men die immers langs inductieve weg hoopt te vinden (§2).
Kortom, ook die formule is vooropgezet en levert geen psychologische feiten op maar slechts getalsmatige artefacten.

6. Theorie over preferenties
In een test van 19 items, die vanuit inductieve optiek adequaat is, zitten abductief bekeken dus 20 manco’s: 19 niet empirisch verankerde items en 1 niet deugdelijke optelling.
Op de studiemiddag ‘Positivistische psychologie: geslaagd of mislukt?’ (8 november 2006) erkende Koornstra dat de NPV geen goede test is. Hij verschilt dus van mening met de COTAN (COmmissie TestAangelegenheden Nederland) die in 1982 de NPV op haar vijf beoordelingscategorieën geen onvoldoende gaf. Als goed alternatief merkte Koornstra een test aan die geconstrueerd is (of zou zijn, dat is niet helemaal duidelijk) vanuit Coombs’ theorie over preferenties en diens ‘ontvouwingstechniek in één dimensie’.[6] Deze theorie en techniek zijn echter geen goed alternatief want mutatis mutandis geldt er dezelfde kritiek op als die in §4-5 op Verongelijktheid in de NPV.
Inderdaad is Coombs’ model met een I- en een J-schaal op te vatten als een verklaringspoging voor de verrassing dat mensen preferenties hebben. Zijn verrassing, vraag naar een empirische verklaring en verklaringspoging luiden: ‘[...] how might differences in preferences have arisen? We suspect that the individuals themselves are somehow different’. Coombs: ‘Unfolding theory is an assumption about a reality, the nature of the judgment process in preferential choice behavior’.[7]
Het inductieve in Coombs’ model zit in zijn wens om te ontdekken ‘whether a common latent attribute may be underlying the preferences of individuals among the alternatives’.[8] Ik voorspel echter dat positivistische psychologen dat ‘gemeenschappelijke latente kenmerk’ in 2006 nog steeds niet hebben gevonden. 
Weliswaar maakte Koornstra op de studiemiddag gewag van een empirisch getoetste psychologische theorie, maar althans in Coombs’ boek van 1964 staan geen onderzoeksresultaten waaruit zou kunnen blijken dat zijn verklaringspoging empirisch houdbaar is. Wel geeft Coombs ‘the best test I have been able to devise, as yet, of the unfolding theory of preferential choice’. Die ‘test’ heeft echter betrekking op ‘stochastic properties of choice behavior’ en allerminst op empirisch psychologisch onderzoek.[9]
[Om het verschil tussen inductie en abductie andermaal uit te laten komen schets ik de abductief verkregen psychologische theorie over preferenties, waarover ik van mijn kant meen te beschikken.
In fase 6 (ongeveer 15 – 18 maanden) verwerft het kind het vermogen om zijn voorkeur te bepalen voor één van de twee voorwerpen die men het vóórhoudt. Dat wil zeggen, het laat zijn blik één of meer keren tussen beide voorwerpen heen en weer gaan alvorens het een keuze maakt. In fase 5 (ongeveer 12 – 15 maanden) laat het kind zijn blik niet heen en weer gaan en neemt het het eerste voorwerp dat zijn blik treft.
De verklaringspoging voor de tweede van de twee verrassingen in de vorige alinea is dat fase 5 de fase is van de eenzijdige tertiaire circuits. Daarin maakt het kind aandachtscontact met één punt in de omgeving. De verklaringspoging voor de eerste verrassing is dat fase 6 de fase is van de tweezijdige tertiaire circuits. Daarin maakt het kind aandachtscontact met twee punten in de omgeving.[10]]

7. Conclusie
In kennisgenererende empirische wetenschapsbeoefening wordt een verklaringspoging pas toegepast nadat ze empirisch houdbaar is gebleken (§1, c). Dat gebeurt met name in de geneeskunde met een nieuwe behandelmethode, een nieuw medicijn, enzovoort. Die worden pas aangewend bij patiënten nadat ze uitvoerig op hun empirische houdbaarheid zijn nagetrokken (om vervolgens in verband met allerlei niet bedoelde en niet gewenste effecten te worden getoetst). Dat toetsen gebeurt vanuit theorieën en technologieën die empirisch houdbaar zijn gebleken. Hetzelfde geldt voor nieuwe elektronische en andere technische apparatuur.
In de afname van een psychologische test die uit items met puntsschalen bestaat, wordt de fundamentele stap tussen verklaringspoging en toepassing overgeslagen. Óf er is geen expliciete psychologische theorie als verklaringspoging, zoals in het geval van de NPV, maar dan kan men met enige welwillendheid in elk item een impliciete verklaringspoging zien. Óf er is wel een expliciete theorie als verklaringspoging, zoals in het geval van een op Coombs’ theorie over preferenties gebaseerde test. In beide gevallen heeft er echter geen empirische verankering van die verklaringspoging plaatsgehad zodat de stap tussen verklaringspoging en toepassing is overgeslagen. Daarom is het afnemen van tests met puntsschalen in wetenschappelijk opzicht niet eigenlijk en in maatschappelijk opzicht niet verantwoord en potentieel gevaarlijk. Men denke slechts aan TBS’ers die op proefverlof of met ontslag mogen, onder meer omdat ze op een aantal psychologische tests met puntsschalen voldoende scoren.
Vooralsnog kunnen positivistische psychologen de manco’s die in §4-6 zijn gesignaleerd, niet repareren. Daartoe ontbeert hen een psychologische theorie die ze trachten te verkrijgen langs inductieve weg – tevergeefs omdat kennis niet langs die weg wordt verkregen. Het verdient daarom aanbeveling te bevorderen dat het construeren van tests met puntsschalen niet meer aan de Nederlandse universiteiten wordt bedreven, en dat zulke tests niet meer worden toegepast, precies zoals dat met onvoldoende getoetste medicijnen en elektrische apparaten het geval is.

Noten

[1] E. Vervaet, 'Het positivisme en zijn ongeldigheid', bij de brief aan de KNAW van 28 april 2006, p.3 en, voor de verankering van de onderzoekscyclus in de wetenschapsgeschiedenis, noten 15, 19 en 20. Terug naar de tekst

[2] 'Het positivisme en zijn ongeldigheid' (op.cit), p.2. Terug naar de tekst

[3] C.H. Coombs, A theory of data, New York , Wiley, 1964, p.5. Terug naar de tekst

[4] Theory of data (op.cit), p.4v. Terug naar de tekst

[5] Theory of data (op.cit), p.5. Terug naar de tekst

[6] Theory of data (op.cit), p.80-121. Terug naar de tekst

[7] Theory of data (op.cit), p.80, p.8 en p.81. Terug naar de tekst

[8] Theory of data (op.cit), p.81. Terug naar de tekst

[9] Theory of data (op.cit), p.106vv. Terug naar de tekst

[10] E. Vervaet, Groeienderwijs; psychologie van 0 tot 3, Amsterdam, Ambo, 2002, hoofdstukken 5 en 6 en §12.4. Terug naar de tekst

Klik hier als u terug wilt naar Vervaets brieven van 28 april en 20 november 2006
Klik hier om naar de overige artikelen te gaan
Klik hier om naar het hoofdmenu te gaan