antwoord c bij het eerste codekrakertje
Lezen en schrijven staan niet op zich, maar vallen onder een bredere rubriek.
Waar hebben lezen en schrijven in eerste instantie mee te maken?
c. Met denken, want je moet begrijpen wat je leest of schrijft.
Aan het begrijpen van wat je leest en schrijft gaat het interpreteren van letters (lezen) of het sturen van de handspieren (schrijven) vooraf. Dit antwoord is dus niet juist. Ga terug naar het eerste codekrakertje en kies antwoord a of b.
Verdieping
Er wordt wel eens gesteld dat taal en denken dicht tegen elkaar liggen of zelfs met elkaar zouden samenvallen. Om een veelvoud van redenen klopt dat niet. Ik noem er vier.
a. Volwassene exemplaren van sommige aapsoorten zijn in staat tot heel intelligent gedrag, bijvoorbeeld tot het stapelen van drie kisten om een banaan te kunnen pakken. Toch zijn ze niet tot taal in staat in de betekenis van het vormen van gegrammaticaliseerde zinnen als 'ik zie daar een banaan' en 'heb jij mijn stok gezien?'.
b. Kinderen zijn gemiddeld vanaf anderhalf in staat om zich te woordenschat van hun moedertaal eigen te maken. Dan begint fase 7 (gemiddeld 18-22 maanden). Voordien - dus in de fasen tot en met fase 6 (15-18 maanden) - vertonen kinderen ook blijken van intelligentie, zoals het grijpen naar iets dat ze binnen handbereik zien vanaf fase 3 (4-8 maanden), de hechting aan ouders en andere bekenden vanaf fase 4 (8-12 maanden), klanken zoals 'boe', 'woef' en 'brrr' nabootsen vanaf fase 5 (12-15 maanden) en andermans wijzen met een hand begrijpen vanaf fase 6.
c. Taal en denken lijken met elkaar samen te hangen vanwege het verschijnsel zelfspraak. Daarin produceer je allerlei gedachten in de vorm van zinnen, bijvoorbeeld omdat je je voorbereidt op een gesprek of omdat je een woordenwisseling aan het verwerken bent. Dat is echter een vorm van 'verbaal herkauwen' en geen intelligentie in de zin van het uitdenken van een oplossing. Als je tijdens zelfspraak al een goed idee krijgt, is dat niet dankzij maar ondanks die zelfspraak.
d. Soms krijg je tijdens een gesprek met iemand anders een ingeving. Dit is al een voorbeeld van de stelling dat denken wat anders is dan taal: die ingeving krijg je ondanks je praten. Vervolgens wil je die ingeving meedelen en uitleggen aan je gespreksgenoot. Maar dan dient zich vaak weer een nieuwe ingeving aan en moet je je zin opnieuw beginnen. Andermaal blijkt een ingeving niet uit taal voort te komen of er mee samen te vallen.
Al met al is taal een machtig communucatiemiddel, maar slechts een communicatiemiddel en geen draagster of vormster van kennis.
Zie in verband met punt b verder Ewald Vervaet, Groeienderwijs; psychologie van 0 tot 3, paragraaf 3.1 (grijpen naar het geziene), paragraaf 4.2 (hechting), paragraaf 5.3 (klanknabootsingen), paragraaf 6.1 (sociaal wijzen) en paragraaf 7.1 (de groei van de woordenschat vanaf anderhalf jaar).