antwoord d bij het vijfde vraagstukje
Alles wijst erop dat Jos zich vanaf een maand of achttien in een spiegel herkent. Als z’n ouders hem bijvoorbeeld een wortel geven, gaat ie die vóór de spiegel staan opeten en doet ie geregeld z’n mond open om via de spiegel naar de inhoud te kijken. Rond diezelfde tijd leert ie ook enkele namen, onder andere van kinderen en familieleden die ie vaak ziet. Z’n eigen naam zit daar ook met twintig maanden nog niet bij.
Z’n ouders proberen hem met behulp van een spiegel bij te brengen dat ie Jos heet. Kan dat?
d. Nee, dat kan niet. Hooguit denkt ie dat z’n spiegelbeeld Jos heet.
Dat klopt. Gedurende een maand of vier kan Jos wel zichzelf in een spiegel herkennen en namen leren, maar nog niet z’n eigen naam leren. Als je hem toch met een spiegel z’n naam probeert bij te brengen, zal ie denken dat dat spiegelbeeld Jos heet, precies zoals ie leert dat het kind vóór hem ‘Angela’ heet als je zegt ‘Dat is Angela’. Als Jos bijvoorbeeld niet vóór een spiegel staat en je vraagt hem ‘Waar is Jos?’, rent ie naar de spiegel en wijst ie op z’n spiegelbeeld!
De reden voor het latere leren van de eigen naam is dat er voor het leren van andermans naam slechts één mentaal beeld nodig is, maar voor het leren van de eigen naam twee mentale beelden die ook nog eens gelijktijdig met elkaar gecombineerd moeten worden. Ik leg dit nader uit.
Voor een naam, die van iemand anders of die van zichzelf, is een mentaal beeld nodig. Dat wil zeggen, dat Angela Angela heet, moet Jos helemaal uit het hoofd leren. Er is immers geen enkele dwingende reden waarom Angela Angela zou moeten heten – dat ligt met het woord ‘woef’ voor een hond anders: een hond maakt een geluid dat sterk op ‘woef’ lijkt. Omgekeerd moet Jos helemaal uit z’n geheugen opdiepen wie (of wat) er ook al weer met ‘Angela’ bedoeld wordt als ie dat woord opvangt. Angela ziet ie vóór zich als iemand hem uitlegt dat dat kind ‘Angela’ heet. Vandaar dat Jos voor Angela’s naam met één mentaal beeld kan volstaan.
Bij Jos’ eigen naam is er een complicatie: hij ziet zichzelf gewoonlijk niet vóór zich. Behalve natuurlijk als ie zich vóór een spiegel bevindt. Dan herkent ie zichzelf door middel van een zogeheten ruimtelijk mentaal beeld, namelijk dat van zichzelf. Dat heet het vogelperspectief: hij kan zichzelf als het ware bekijken vanuit een positie buiten zichzelf en zichzelf met z’n ‘geestesoog’ zien in plaats van met z’n lichamelijke ogen. Voor z’n eigen naam ‘Jos’ moet ie echter meer doen dan alleen vanuit het vogelperspectief naar zichzelf kijken om tot de conclusie te komen dat hij dat zelf is, dan moet ie ook nog eens de naam ‘Jos’, net als ‘Angela’ een mentaal beeld, koppelen aan wat ie met z’n ‘geestesoog’ ziet. Vandaar dat ie dat pas later kan.
Dat een kind eerst andere namen leert en daarna pas die van zichzelf is het leukste te merken bij tweelingen. Van de tweeling Els en Roel kent Els eerst Roels naam en pas een maand of vier later haar eigen naam Els, terwijl het bij Roel precies andersom gaat – hij kent eerst de naam van z’n zus Els en pas vier maanden later z’n eigen naam Roel.
Terug naar het vijfde vraagstukje als je de toelichtingen bij de onjuiste antwoorden wilt lezen.
Klik hier als je naar de andere zeven vraagstukjes wilt.Zie verder Ewald Vervaet, Groeienderwijs; psychologie van 0 tot 3, paragraaf 7.1 (mentale beelden en andermans naam), paragraaf 7.2 (zelfherkenning in een spiegel) en paragraaf 8.3 (eigen naam).