antwoord d bij het achtste vraagstukje

Anna heeft tussen vijfentwintig en dertig maanden niet alleen mannen en jongens met ‘hij’ aangeduid, maar ook vrouwen en meisjes. Pas vanaf dertig maanden gebruikt ze ‘hij’ alleen voor mannen en jongens en zegt ze ‘zij’ tegen vrouwen en meisjes.
Wat zou die vertraging van ‘zij’ te betekenen kunnen hebben?


d. Dit is een algemeen verschijnsel. Vóór een maand of dertig kan een kind niet sorteren en ook niet onderscheiden wie er met ‘hij’ en wie er met ‘zij’ aangeduid moet worden. Na dertig maanden kan het kind beide wel.

Het is een algemeen verschijnsel dat een kind vóór eenendertig maanden niet naar ‘hij’ en ‘zij’ onderscheidt (en doorgaans iedereen met ‘hij’ aanduidt) en daarna wel. De reden is inderdaad dat het kind ervóór niet kan sorteren en daarna wel.
Beginnen we met het sorteren. Je legt vóór Anna van zeventwintig maanden zes prentjes met op elk een vogel en zes met op elk een olifant; daarachter leg je twee witte enveloppen. Op de ene envelop leg je een vogel (voortaan de v-envelop) en op de andere een olifant (voortaan de o-envelop). Je zegt, op de v- respectievelijk o-envelop wijzend: ‘Hier moeten alle vogels; en daar moeten alle olifanten’. Anna brengt deze opdracht niet tot een goed einde, hoe vaak je haar ook herhaalt terwijl ze bezig is. Het eindresultaat is bijvoorbeeld dat er op de v-envelop twee vogels liggen en drie olifanten en op de o-envelop vier vogels en drie olifanten. Je vraagt: ‘Liggen hier (je wijst op de v-envelop) alle vogels en daar (je wijst op de o-envelop) alle olifanten?’ – Anna, ja knikkend: ‘Ja’.
Met tweeëndertig maanden herhaal je het proefje. Deze keer liggen op het eind de zes vogels op de v-envelop en de zes olifanten op de o-envelop. De manier waarop Anna tot dit resultaat is gekomen, is veelzeggend. Als ze namelijk een vogel neemt die meteen onder de o-envelop ligt, en haast automatisch daarmee naar de o-envelop gaat, laat ze haar blik snel naar de v-envelop gaan en verandert ze van koers. En als er per ongeluk toch een olifant op de v-envelop is gekomen, kijkt ze snel naar de andere prentjes die al op de v-envelop liggen en naar de o-envelop; vervolgens verlegt ze die olifant naar de o-envelop.
Met andere woorden, met tweeëndertig maanden (fase 10) brengt Anna de twee enveloppen en wat op elk van beide ligt, met elkaar in verband en dat doet ze met zevenentwintig maanden (fase 9) niet. En zo brengt ze de verzameling van personen die door anderen met ‘hij’ worden aangeduid, en de verzameling van personen die door anderen met ‘zij’ worden aangeduid, met tweeëndertig maanden wel met elkaar in verband en met zevenentwintig maanden niet.
Terug naar het achtste vraagstukje als je de toelichtingen bij de onjuiste antwoorden wilt lezen.
Klik hier als je naar de andere zeven vraagstukjes wilt.

Zie verder Ewald Vervaet, Groeienderwijs; psychologie van 0 tot 3, paragraaf 10.1 (sorteren) en paragraaf 10.5 (‘zij’ voor meisjes en vrouwen).