vraag 4. Wie is dat kindje in de spiegel?
Tegen de muur staat een spiegel van één bij drie meter. Als Joost daaraan voorbij kruipt, reageert hij vanaf een maand of acht vaak op wat hij daarin ziet.
Wat doet Joost zoal vóór de spiegel? Duiden zijn reacties op zelfherkenning?
a. Vanaf acht maanden glimlacht hij geregeld tegen het spiegelbeeld. Dat duidt op zelfherkenning want hij vindt het grappig zichzelf zo te zien. Daar pleit voor dat hij zijn spiegelbeeld ook kusjes geeft, namelijk als imitatie van het feit dat zijn ouders hem vaak kussen. Klik hier.
b. Vanaf een maand of achttien maakt hij geregeld grimassen vóór de spiegel en lacht hij om zichzelf. Dat duidt op zelfherkenning want hij beschikt nu als het ware over een ‘geestesoog’ en daarmee ziet hij een beeld van zichzelf dat hij kan vergelijken met het beeld dat hij in de spiegel ziet. Klik hier.
c. Vanaf tweeëntwintig maanden benoemt Joost zichzelf als ‘Joof’. Dit taalvermogen stelt hem in staat zichzelf te herkennen én die zelfherkenning te benoemen. Klik hier.
Klik hier als je naar de andere vijf vragen wilt
Klik hier om naar het hoofdmenu te gaan