antwoord c bij vraag 4
Wie is dat kindje in de spiegel?
Tegen de muur staat een spiegel van één bij drie meter. Als Joost daaraan voorbij kruipt, reageert hij vanaf een maand of acht vaak op wat hij daarin ziet.
Wat doet Joost zoal vóór de spiegel? Duiden zijn reacties op zelfherkenning?
c. Vanaf tweeëntwintig maanden benoemt Joost zichzelf als ‘Joof’. Dit taalvermogen stelt hem in staat zichzelf te herkennen én die zelfherkenning te benoemen.
Het is zeker juist dat een kind zich vanaf een maand of tweeëntwintig met z’n voornaam aanduidt. Maar het vermogen om zijn voornaam te begrijpen en te gebruiken steunt deels op de zelfherkenning die er al eerder is. Rond achttien maanden is Joost namelijk toe aan woorden als ‘stoel’ en ‘eten’ en dus ook aan namen van anderen, zoals ‘Karel’ en ‘Nicole’. Karel en Nicole ziet hij echter vóór zich als hij of iemand anders over hen praat. En dat is met hemzelf niet het geval. Om te kunnen begrijpen dat hij Joost heet, is het dus ook nodig dat hij over een of andere vorm van zelfherkenning beschikt, een vorm van zelfherkenning die kennelijk los staat van zijn taalvermogens.
Meer kan ik hier niet zeggen – anders verklap ik het juiste antwoord. Antwoord c is dus niet goed; terug naar vraag 4.Zie verder Ewald Vervaet, Groeienderwijs; psychologie van 0 tot 3, paragraaf 8.3 (eigen voornaam).