antwoord c bij het tweede doordenkertje

Bekenden en vreemden

Diederik van negen maanden voelt zich al vanaf z'n geboorte het meeste op z'n gemak bij z'n moeder, maar sinds kort zet-ie een pruilend gezicht op als zij de kamer verlaat. En liet hij zich tot voor kort gewillig door iedereen oppakken, dat is nu voorbij: als opa en oma, die hem zes weken terug voor het laatst hebben gezien, hem willen vasthouden, zet ie een luide keel op.
Waar komen die veranderingen vandaan?


c. Regelmaat zegt hem wat omdat zijn hersens en psychologische bevattingsvermogen zich verder hebben ontwikkeld.

Antwoord c is het juiste. Vanaf een maand of acht is een kind in staat tot het waarnemen en zelf uitvoeren van regelmaat. In de taalontwikkeling bijvoorbeeld blijkt die regelmaat in regelmatige brabbels als ‘Dadada’ en ‘Amamam’. In de omgang met anderen komt die regelmaat tot uiting in de zogeheten scheidingsangst en angst voor vreemden. Zo herkent Diederik niet alleen z’n moeder, maar ook z’n vader, de leidsters en andere kinderen van z’n kinderdagverblijfgroep. Omdat vooral z’n moeder en z’n hoofdleidster z’n belangrijkste verzorgsters zijn, is ie aan hen in het bijzonder gehecht. Vandaar dat ie begint te pruilen als z’n moeder de kamer verlaat – dat heet scheidingsangst (‘angst’ is bij Diederik gezien z’n pruilen een te zwaar woord maar zo heet dit verschijnsel nu eenmaal in het Nederlands). Omgekeerd, z’n grootouders herkent ie niet na zes weken zodat ze vreemden voor hem zijn. Daarom begint ie te huilen als ze hem bij het weerzien meteen in hun armen willen nemen.
Dat Diederik al met twee maanden het liefste bij z’n moeder was, berust niet op herkenning van haar totale persoon, maar op een graag hebben van haar lichaamsgeur, van haar stem die ie tijdens de laatste maanden in de baarmoeder al vele malen heeft opgevangen, en van haar manier van vasthouden. Die graagtes uiten zich onder meer in kirren en glimlachen.
Antwoord c is dus juist. Kijk toch ook nog even naar beide onjuiste antwoorden en hun toelichtingen; terug naar het tweede doordenkertje.

Zie verder Ewald Vervaet, Groeienderwijs; psychologie van 0 tot 3, paragraaf 1.5 (graagtes vanuit de baarmoeder), paragraaf 2.2 (graagtes van na de geboorte), paragraaf 2.6 (de hechting van de ouders aan hun kind) en paragraaf 4.2 (hechting van het kind aan z’n sociale omgeving).