antwoord c bij het vijfde doordenkertje
'Rob, ook drinken?'
De afgelopen vier maanden heeft Ruth zeven namen leren kennen, onder meer die van haar broer Rob. Die gebruikte ze alleen als ze naar hem keek, wees of als antwoord op vragen als 'Wie is dat?'. Pas als Ruth 22 maanden oud is, gebruikt ze Robs naam ook als ze zich tot hem richt, bijvoorbeeld in 'Rob, ook drinken?' terwijl ze hem haar flesje peresap aanreikt.
Waar hangt die vertraging van een maand of vier mee samen?
c. Die vier maanden is geen vertraging, maar een leerperiode. Ruth leert daarin dat haar broer echt Rob heet.
Antwoord c is onjuist. Ruth leert al vanaf ongeveer 18 maanden dat Rob Rob heet en niet anders. Dat gaat ze in de loop van de tijd niet steeds beter weten, maar het gebruik van die naam wordt in de loop van de ontwikkeling van fase naar fase wel steeds breder en gevarieerder. Vanaf een maand of 22 bijvoorbeeld gaat ze z’n naam ook gebruiken om hem aan te spreken. Vanaf een maand of 26 onderscheidt ze naar Rob als onderwerp (in ‘Rob is lief’), Rob als lijdend voorwerp (‘Ik heb Rob geroepen’), en dergelijke. En vanaf een maand of 31 gebruikt ze z’n naam in samengestelde zinnen als ‘Rob zegt dat jij niet kunt fietsen’.
Terug naar het vijfde doordenkertje.Zie verder Ewald Vervaet, Groeienderwijs; psychologie van 0 tot 3, paragraaf 8.7 (de aanspreekvorm), paragraaf 9.2 (grammatica) en paragraaf 10.4 (samengestelde zinnen).