antwoord c bij het zevende doordenkertje

Wie heeft de beurt?

Kasper en Amber zijn 29 maanden oud. Ze willen allebei met het knikkerspel spelen en maken er hevig ruzie over. Je probeert hen uit te leggen dat ze echt wel allebei aan de beurt komen als ze elkaar maar zonder te storen laten spelen. Al je moeite is vergeefs: ze zijn er niet toe te bewegen om beurtelings de knikker door het knikkerspel te laten rollen. Pas vanaf een maand of 32 lukt het hen wel om zogeheten beurtgedrag te vertonen.
Hoe zijn hun verschillende gedragingen met 29 en met 32 maanden te verklaren?


c. Met 29 maanden kennen ze elkaar geen rechten toe en met 32 maanden wel.

Dit is het juiste antwoord. Kasper en Amber beschikken met 29 maanden niet over het vermogen om beurtgedrag te vertonen aangezien ze dan geen besef van de nabije toekomst hebben. Ze kennen elkaar dan ook geen rechten toe.
In tijdelijk opzicht bestaat voor Kasper (en voor Amber) met een maand of 29 alleen nog het heden en, vanaf ongeveer 26 maanden, het verleden. Dat blijkt ook uit zijn woordenschat: woorden als ‘dadelijk’ en ‘straks’ zeggen hem niets. Als oma bijvoorbeeld ’s morgens belt dat ze ’s middags langs komt en moeder vertelt dit, dan rent ie blij naar de voordeur. ‘Oma komt strakjes’ betekent voor hem ‘Oma komt’ en dat ze elk moment binnen kan komen. Teleurgesteld en niet begrijpend zet ie z'n spel voort na moeders ‘Oma is er nu nog niet - strakjes; strakjes komt oma. Ga maar lekker verder spelen’.
Om dezelfde reden is het in het knikkerspel van Kasper en Amber dus ‘nu of nooit’ in plaats van ‘nu of dadelijk’ en leveren ze een felle strijd om het knikkerspel en de knikker. Ook als moeder Kasper bij zich neemt om Amber even de gelegenheid te geven ongestoord te spelen, is ie nauwelijks in bedwang te houden: huilen, gillen, zich loswurmen.
Gemiddeld vanaf een maand of 31 vat het kind de nabije toekomst wel en dus ook wat ‘strakjes’ betekent. Voor beurtgedrag houdt dat in dat Kasper en Amber beseffen dat ze over een poosje zelf met het knikkerspel kunnen spelen wanneer de ander dat nu doet. Vandaar dat ze geregeld tegen elkaar zeggen: ‘Nou mag jij’, ‘Strakjes mag ik, hè?’ (de ander: ‘Ja, hoor’), geluiden die voordien niet te horen waren. Een gevolg is dat ze elkaar dan ook rechten kunnen toekennen.
Antwoord c is dus juist. Kijk toch ook nog even naar beide onjuiste antwoorden en hun toelichtingen; terug naar het zevende doordenkertje.

Zie verder Ewald Vervaet, Groeienderwijs; psychologie van 0 tot 3, paragraaf 9.4 (geen toekomstbesef), paragraaf 10.2 (wel toekomstbesef), paragraaf 10.8 (beurtgedrag) en ‘zelfervaring’ in het register (omdat ook de identiteitsontwikkeling wat met rechten te maken heeft, maar daar zijn we nu niet op in gegaan).