antwoord b bij doordenker 3

‘Woef’, ‘bèh’ en ‘brrr’

Vanaf een maand of twaalf gaat Bibi klanken uit haar omgeving nadoen: ze zegt ‘Woef’ als ze een hond ziet, ‘Bèh’ bij een schaap en ‘Brrr’ tegen een voorbijrijdende auto of bromfiets. Volgens sommigen doen kinderen dit omdat volwassenen dat voordoen. Dat kan nooit het hele verhaal zijn want nooit heeft iemand een hoog ‘Uuuuuu!’ bij een fluitketel laten horen terwijl Bibi dat wel geregeld doet. Eveneens vanaf ongeveer twaalf maanden wijst Bibi vaak naar dingen in haar omgeving: naar haar nieuwe slofjes, naar oma’s hondje en naar andere dingen die haar interesseren.

Tussen klanknabootsingen en wijzen bestaat een verband. Laat je gedachten er eens over gaan welk verband dat zou kunnen zijn. Licht je antwoord toe.


b. Dat anderen ‘Woef’ tegen een hond zeggen, is wel het hele verhaal. Als anderen dat namelijk niet voordoen, gaat een kind het ook niet doen.

Een oom en tante van Bibi vinden dat ze tegenover hun nichtje geen ‘woef’ tegen een hond moeten zeggen omdat zo’n beest nu eenmaal ‘hond’ heet en geen ‘woef’. Toch ‘woef’ zeggen zou Bibi verkeerde informatie geven. Nu ziet Bibi deze oom en tante niet vaak zodat hun invloed op haar niet groot is. Het merkwaardige is echter dat de kinderen van die oom en tante wel degelijk een aantal geluiden nabootsten toen ze Bibi’s leeftijd hadden. Bibi’s neef, Johan van tien, zag bijvoorbeeld eens een strooien hoed van een trap afrollen. Sindsdien heeft ie gedurende enkele maanden alle hoeden, ook die van z’n oma, met ‘goegele-goegele’ aangeduid, wat het geluid van die rollende hoed aardig benaderde.
Of anderen het nabootsen van een geluid dus voordoen of niet, is kennelijk niet doorslaggevend. Er is iets in het kind zelf dat maakt dat het vanaf een zeker punt in de ontwikkeling klanken gaat nabootsen of niet. Of anderen dat voordoen of niet, heeft hooguit invloed op de mate waarin een kind het doet: als zij het doen, zal het dat nabootsen ook meer doen; als zij het niet doen, minder. Maar dát Bibi vanaf een maand of twaalf klanken nabootst, wordt niet door de omgeving bepaald, maar komt voort uit haarzelf. We zeggen dat Bibi vanaf twaalf maanden het vermogen heeft gekregen om klanken na te bootsen en dat vanaf dan bij haar de benodigde psychologische structuur voor dat vermogen tot stand is gekomen.
Antwoord b is niet goed. Bovenstaande informatie bevat echter een aantal sleutels om een meer verantwoorde keuze te kunnen maken uit de antwoorden a, c en d: terug naar doordenker 3.

Zie verder Ewald Vervaet, Groeienderwijs; psychologie van 0 tot 3, 11.1 (zin en onzin van pogingen om de ontwikkeling van buitenaf te beïnvloeden), 12.1 (opeenvolgende structuren in het algemeen), 12.2-4 (opeenvolgende structuren tot anderhalf), 12.7-8 (neurologische en psychologische structuren).