antwoord a bij doordenker 4

Woorden met twee tegengestelde betekenissen

Vanaf z’n zeventiende maand leert Konrad elke dag een paar nieuwe woorden bij: ‘poes’, ‘trein’, ‘eten’, ‘slapen’ en dergelijke. Het woord ‘uit’ is daar ook al spoedig bij. Aan ‘uit’ valt op dat ie het gedurende een maand of vier met twee tegengestelde betekenissen gebruikt. Hij zegt namelijk ‘Uit’, niet alleen als ie in z’n kinderstoel zit en eruit wil, maar ook als ie zich buiten z’n kinderstoel bevindt, en erin wil. Pas vanaf z’n eenentwintigste maand zegt ie in het tweede geval ‘In’ in plaats van ‘Uit’.

Heb je enig idee waarom Konrad het woord ‘uit’ een poos gebruikt, niet alleen voor ‘uit’ maar ook voor ‘in’? Licht je antwoord toe.


a. Bij Konrad heeft ‘uit’ betrekking op het feit dat ie z’n armen naar iemand uitstrekt om opgetild en verplaatst te worden.

Gemiddeld rond de achttiende maand begint de zogeheten woordenschatexplosie: gedurende vele jaren leert het kind er vrijwel elke dag één of meer nieuwe woorden bij. Kenmerkend voor de allereerste woorden is dat ze naar iets concreets verwijzen. Dat geldt ook voor ‘poes’, ‘trein’, ‘eten’ en ‘slapen’, vier van de woorden die Konrad aan het begin van zijn woordenschatexplosie leert.
Het concrete verwijzen van de allereerste woorden kunnen we nader specificeren: de allereerste woorden verwijzen naar wat ontwikkelingspsychologen sensorimotorische schema’s noemen. Een sensorimotorisch schema is een geheel dat zintuiglijke of sensorische én motorische kanten heeft. Ga maar na: een poes ziet er op een bepaalde manier uit, die beslist anders is dan de manier waarop een hond of een paard eruit ziet; een poes miauwt, spint en maakt andere hem kenmerkende geluiden; een poes geeft kopjes, likt melk en voert andere hem kenmerken bewegingen uit. Dat geldt ook voor ‘eten’: bij eten is voedsel te zien, voel je een bepaalde temperatuur (vergelijk ijs met net opgeschepte soep), word je bepaalde smaken gewaar en doe je andere waarnemingen die typisch bij eten horen; als je eet voer je bepaalde bewegingen uit zoals voedsel in je mond doen, op het voedsel kauwen en het gekauwde voedsel doorslikken. Ga voor jezelf na welke zintuiglijke en welke motorische kanten er aan ‘trein’ zitten en welke aan ‘slapen’.
We zijn nu nog maar één stap verwijderd van het begrijpen van Konrads ‘uit’ in twee betekenissen, namelijk het gebruikelijke ‘uit’ en het daaraan tegenovergestelde ‘in’. Als hij namelijk opgetild wil worden om uit z’n kinderstoel gehaald te worden of, omgekeerd, er in gezet te worden, dan voert ie in beide gevallen dezelfde handelingen uit: dan strekt ie z’n armen naar de dichtstbijzijnde volwassene uit en zegt ie er ‘Uit; uit; uit’ bij. Dat ‘uit’ heeft echter nog geen betrekking op ‘uit de kinderstoel’, maar op het uitstrekken van z’n armen!
Dat Konrads ‘uit’ aanvankelijk naar het uitstrekken van z’n armen verwijst, kun je gemakkelijk controleren. Ga op zoek naar enkele kinderen aan het begin van hun woordenschatexplosie en je zult al spoedig merken dat er kinderen zijn die wel degelijk ‘In’ zeggen (in plaats van ‘Uit’) als ze in de kinderstoel gezet willen worden. Maar anders dan Konrad voeren ze bij ‘in’ en ‘uit’ niet dezelfde handelingen uit, maar doen ze in beide gevallen wat anders. Konrads buurjongetje bijvoorbeeld strekt bij ‘uit’ ook z’n armen naar iemand uit, maar bij ‘in’ probeert ie tegen z’n kinderstoel op te klauteren. Vanaf z’n eenentwintigste maand zegt Konrad dus ook ‘In’ als ie in z’n kinderstoel wil. Dat komt omdat ie dan in de volgende fase van z’n psychologische ontwikkeling zit. Over die fase morgen meer.
Antwoord a is dus juist. De antwoorden b, c en d zullen je kijk op de woordenschatexplosie zeker verrijken. Probeer zelf eerst te bedenken waarom ze niet juist zijn. Terug naar doordenker 4.

Zie verder Ewald Vervaet, Groeienderwijs; psychologie van 0 tot 3, 7.1 (woordenschatexplosie) 7.5 (tweepolige woorden) en 12.2 (sensorimotorische intelligentie).