antwoord b bij doordenker 5
‘Geranium’, ‘ook’ en ‘stoel’ op één dag
Sedert Iris elke dag een paar woordjes bij leert (zo vanaf haar vijftiende maand), houden haar ouders een taalschriftje over haar bij. Daar prijken woorden op als ‘poes’, ‘toel’ (stoel), ‘pap’, ‘tein’ (trein), ‘tinke’ (drinken), ‘ete’ (eten) en ‘lape’ (slapen).
Vier maanden later zegt Iris op één dag onder meer ‘geraanjum’ (geranium), ‘ook’ en ‘stoel’ (in plaats van ‘toel’) voor het eerst.
Welk van deze drie woorden lijkt je het meest bijzondere? Licht je antwoord toe.
b. Het meest bijzondere woord is ‘ook’. Woorden als ‘geranium’ en ‘stoel’ duiden iets aanwijsbaars aan, maar ‘ook’ niet.
De woorden ‘geranium’ en ‘stoel’ staan op gelijke hoogte met ‘poes’, ‘trein’ en dergelijke. Zoals in antwoord a van doordenker 4 is uiteen gezet verwijzen ze namelijk allemaal naar sensorimotorische schema’s. In het geval van een geranium zijn dat aan de zintuiglijke kant onder meer het hebben van bladeren en bloemen en het hebben van een bepaalde geur en aan de motorische kant het stilstaan op dezelfde plaats en het heen en weer bewegen in de wind.
Het woord ‘ook’ is moeilijker dan ‘geranium’ en ‘stoel’. De reden is dat het niet naar sensorimotorische schema’s verwijst. Een ook bestaat helemaal niet en ‘ook’ is geen zelfstandig naamwoord in het Nederlands. En je kunt evenmin oken – ‘oken’ is geen Nederlands werkwoord.
Hoe gebruiken we ‘ook’ dan wel? Je kijkt met Iris naar een afbeelding, bijvoorbeeld in een prentenboek, waarop acht kippen, tien auto’s of wat dan ook in meerdere exemplaren staat. Je vraagt bij een kip ‘Wat is dat?’ – Iris: ‘Kip’ – jij, bij een tweede kip: ‘En wat is dat?’ – Iris: ‘Ook kip’ – jij, bij een derde kip: ‘En dat?’ – Iris: ‘Ook kip’. Pas nadat ze op je eerste vraag ‘kip’ heeft geantwoord, is het zinvol om bij de tweede kip ‘ook kip’ te zeggen. ‘Ook’ zegt niets over de eerste kip en niets over de tweede kip, maar wel wat over de verbinding tussen beide, namelijk dat ze allebei een kip zijn en allebei ‘kip’ heten. Het woord ‘ook’ drukt dus uit dat twee of meer personen, dieren, voorwerpen of handelingen tot dezelfde verzameling horen. Als je dit met haar was gaan doen tussen vijftien en negentien maanden, had ze niet ‘Kip’, ‘Ook kip’ en ‘Ook kip’ geantwoord, maar drie keer ‘Kip’.
‘Ook’ noemen we een verzamelingwoord. Voorbeelden van andere verzamelingwoorden zijn ‘nog’ en ‘ander’. Rond een maand of tweeëntwintig leren de meeste kinderen één van deze drie verzamelingwoorden en leren ze de andere twee er in de loop van de eerstvolgende maanden erbij. Dat dat bij Iris al vanaf haar negentiende maand begint, betekent alleen maar dat ze in haar taalontwikkeling een maand of drie voor ligt op het gemiddelde. (En het is verstandig aan dat voorliggen niet al te veel waarde toe te kennen. Dat geldt ook voor het achterlopen met enkele maanden van een ander kind.)
Over de hele linie is Iris vanaf een maand of negentien met verzamelingen bezig. Dat blijkt onder meer uit het feit dat ze geregeld ‘telt’. Ze doet bijvoorbeeld zeven wasknijpers in en uit een doos en telt daarbij de ene keer volgens ‘1, 2, 4, 2, 6, 4, 6’ en de andere keer volgens ‘1, 2, 3, 4, 6, 3, 4’. Dat is uiteraard geen juist tellen, maar ze heeft wel in de gaten dat de woorden ‘één’, ‘twee’, ‘drie’, ‘vier’ en ‘zes’ bij elkaar horen en ook dat ze gebruikt worden bij een herhaald uitgevoerde handeling. Die woorden vormen dus met elkaar een verzameling. Die verzameling heeft ze van anderen opgevangen, bijvoorbeeld als haar moeder de hapjes van haar toetje telde of als haar vader tijdens een wandeling de treden van een trap telde.
Een andere blijk van de centrale plaats die verzamelingen bij Iris vanaf ongeveer negentien maanden innemen, is dat ze twee of meer woorden in één vloeiende lijn gaat uitspreken in plaats van er een korte pauze tussen te maken. Vanaf ongeveer zeventien maanden zegt ze namelijk twee woorden kort achter elkaar, zoals ‘Open, peen’ (open, speen) als ze wil dat men haar nieuwe speen uit de verpakking haalt. Nu zou ze ‘Open peen’ of ‘Open speen’ zeggen, zonder pauze en dus ook zonder komma. We noemen ‘open speen’ een gebonden zin. Ze bindt de woorden ‘open’ en ‘speen’ namelijk aan elkaar en zo ontstaat er een zin. In een gebonden zin bestaat de verzameling dus uit woorden die in de uitspraak bij elkaar worden genomen in plaats van, zoals voordien in ‘open, peen’, los van elkaar blijven staan.
Iris’ ‘ook’ op die bewuste dag is dus echt bijzonderder dan haar ‘geraanjum’, hoewel het knap van haar is dat ze een woord van drie lettergrepen (dat maakt ze er althans van) uitspreekt.
In doordenker 4 hebben we gezien dat Konrad, die aanvankelijk ‘uit’ zegt voor ‘in’, vanaf eenentwintig maanden wel ‘in’ zegt als ie naast z’n kinderstoel staat en erin wil. Net als bij Iris met negentien maanden begint bij hem met eenentwintig maanden het denken in verzamelingen. Dat wil zeggen, precies zoals Iris ‘Kip; ook kip’ zegt omdat ze die twee kippen in een verzameling plaatst, zo kan Konrad dan in en uit de kinderstoel gaan in een verzameling plaatsen, namelijk de verzameling van bewegingen ten opzichte van de kinderstoel, en binnen die verzameling het woord ‘uit’ aan de ene verplaatsing toekennen en het woord ‘in’ aan de tegenovergestelde verplaatsing.
Antwoord b is dus juist. Lees ook (inderdaad ‘ook’!) de andere drie. Met z’n vieren geven ze je een volledigere kijk op de taalontwikkeling in het algemeen en op die rond de tweede verjaardag in het bijzonder, dan met antwoord b alleen; terug naar doordenker 5.
Zie verder Ewald Vervaet, Groeienderwijs; psychologie van 0 tot 3, 8.1 (verzamelingen) en 8.6 (woordcombinaties).