antwoord a bij doordenker 6
‘Ik wil een koekje hebben’
Als Tijs rond z’n tweede verjaardag een koekje wilde hebben, zei ie vaak ‘Tijs hebbe’ of ‘Tijs koekje’ (naast ‘Datte hebbe’, ‘Koeke hebbe’ en dergelijke). Vanaf ongeveer zesentwintig maanden zegt ie ook ‘Ik(ke) koekje hebbe’, ‘Ikkil e koekje hebbe’ en dergelijke en uiteindelijk ‘Ik wil een koekje hebben’. Waar ie eerst over zichzelf sprak met ‘Tijs’ doet ie dat nu dus met ‘ik’. En zo spreekt ie ook over ‘een koekje’ in plaats van over ‘koekje’ alleen.
Dat Tijs rond dezelfde tijd zichzelf met ‘ik’ aanduidt en het lidwoord ‘een’ gebruikt, zou toeval kunnen zijn maar er zou ook een verband tussen beide kunnen bestaan. Wat is het geval, denk je? Licht je antwoord toe.
a. Dat Tijs beide rond dezelfde tijd doet, berust op toeval. De meeste kinderen zeggen al veel eerder ‘ik’ dan dat ze ‘een’ zeggen. Als je bijvoorbeeld aan een groep kinderen vraagt wie er een ijsje wil, dan roepen de meeste kinderen van anderhalf jaar al ‘Ikke! Ikke!’.
Veel kinderen van anderhalf roepen inderdaad ‘Ikke! Ikke!’ als hen iets lekkers wordt aangeboden. Dat doen ze echter omdat ze dat oudere kinderen ook horen roepen. Voor kinderen tussen achttien en zesentwintig maanden zijn ‘ik’ en ‘ikke’ geen persoonlijke voornaamwoorden, maar slechts ‘heb-kreten’.
Antwoord a is dus onjuist. Misschien stuurt dit antwoord je denken in de goede richting. Bekijk de antwoorden b, c en d nog eens goed en kies opnieuw een antwoord; terug naar doordenker 6.