antwoord b bij doordenker 6

‘Ik wil een koekje hebben’

Als Tijs rond z’n tweede verjaardag een koekje wilde hebben, zei ie vaak ‘Tijs hebbe’ of ‘Tijs koekje’ (naast ‘Datte hebbe’, ‘Koeke hebbe’ en dergelijke). Vanaf ongeveer zesentwintig maanden zegt ie ook ‘Ik(ke) koekje hebbe’, ‘Ikkil e koekje hebbe’ en dergelijke en uiteindelijk ‘Ik wil een koekje hebben’. Waar ie eerst over zichzelf sprak met ‘Tijs’ doet ie dat nu dus met ‘ik’. En zo spreekt ie ook over ‘een koekje’ in plaats van over ‘koekje’ alleen.

Dat Tijs rond dezelfde tijd zichzelf met ‘ik’ aanduidt en het lidwoord ‘een’ gebruikt, zou toeval kunnen zijn maar er zou ook een verband tussen beide kunnen bestaan. Wat is het geval, denk je? Licht je antwoord toe.


b. Om ‘ik’ en ‘een’ te kunnen gebruiken moet het kind over een bepaalde hoeveelheid woorden beschikken. Tijs heeft de benodigde hoeveelheid kennelijk met zesentwintig maanden.

Dit antwoord steunt onuitgesproken op de gedachte dat hoeveelheid, bijvoorbeeld aantal woorden, van belang is voor het ontstaan van nieuwe hoedanigheden, zoals het gebruik van ‘ik’ en dat van ‘een’. Er zijn echter kinderen die die twee psychologische vermogens rond dezelfde leeftijd verwerven, terwijl het ene kind een veel grotere woordenschat heeft dan het andere. Natuurlijk moet een kind wel over een aantal werkwoorden beschikken om met ‘ik’ en andere persoonlijke voornaamwoorden een begin te kunnen maken, en over een aantal zelfstandige naamwoorden beschikken om zich een lidwoord als ‘een’ eigen te kunnen maken. Het precieze aantal, twintig of honderd, doet er echter niet toe.
Hoe ontstaan nieuwe vermogens dan wel? Aan het ontstaan van een nieuw vermogen zitten drie met elkaar samenhangende aspecten waar je niet zo snel op zou komen vanuit een alledaagse omgang met kinderen.
In de eerste plaats is er het structurele aspect. Een kind kan een vermogen dat op het niveau staat van een bepaalde fase – bijvoorbeeld fase 9 waarin ‘ik’ en ‘een’ ontstaan – pas verwerven als het kort tevoren in de voorafgaande fase verkeerde – in dit geval dus fase 8 – en nu een overgang naar de volgende fase heeft gemaakt. Vandaar dat we in de taalontwikkeling van het Nederlands ten minste deze vier grote stappen kunnen onderscheiden: verwerving van het klankrepertoire van het Nederlands (zie doordenker 3), verwerving van de eerste Nederlandstalige woorden (zie doordenker 4), zinsvorming (zie antwoord b bij doordenker 5) en eerste grammaticaregels (deze doordenker).
In de tweede plaats is er het neurologische aspect. Om de volgende fase in de psychologische ontwikkeling te kunnen bereiken moet er eerst een basis zijn in de hersenen. Die basis houdt in dat er voor een volgende psychologische fase hersenverbindingen tot stand gekomen moeten zijn, die er in de vorige fase niet waren, omdat ons geheugen en ons psychologisch functioneren niet in hersencellen zit maar in de verbindingen tussen hersencellen. Misschien zul je je nu afvragen hoe dit hersenverbindingen tot stand kunnen komen. Het antwoord daarop is dat hersencellen uitlopers hebben, axonen en dendrieten geheten, en dat die groeien zodat ze vroeg of laat met elkaar contact maken.
In de derde plaats is er het psychologische aspect. Zelfs als er een neurologische verbinding tot stand is gekomen die een volgende fase in zou kunnen luiden, dan is er nog geen volgende psychologische fase. Die verbindingen zitten immers in hersenen en kunnen niet rechtstreeks over de buitenwereld waarnemingen doen, terwijl ze over die buitenwereld wel kennis moeten verwerven. Daarbij gedraagt het kind zich vanaf het allerprilste begin als een volwaardige onderzoeker: bij dingen in de buitenwereld die het niet begrijpt, bedenkt het vermoedens en die vermoedens trekt het in de buitenwerld na. Zo begreep Tijs tot zesentwintig maanden niet wat ‘-en’ aan het slot van ‘poezen’, ‘schoenen’ en dergelijke betekende, maar toen negeerde hij het, mede omdat ie voorlopig genoeg wist als ie ‘poes’ en ‘schoen’ begreep. Met zesentwintig maanden verandert dat: dan gaat ie aan ‘-en’ betekenis hechten omdat ie dan begrijpt dat er verschil is tussen één poes en meerdere poezen. Z’n vermoeden dat dat ‘-en’ daar wat mee te maken heeft, wordt al gauw vele malen bevestigd, al vindt ie het ook spoedig merkwaardig dat het niet ‘kinden’ en ‘vogelen’ is maar ‘kinderen’ en ‘vogels’. Daar verwerft ie op dezelfde manier de regel met ‘-eren’ respectievelijk ‘-s’ voor. Dat het inderdaad aanvankelijk slechts om vermoedens gaat blijkt duidelijk bij Tijs’ even oude vriendinnetje Uulkje. Zij heeft gedurende bijna twee maanden meervoud gevormd door ‘vier’ vóór het woord te zetten, dus ‘vier poes’ ongeacht of het inderdaad vier poezen waren of twee, tien of honderd. Zo zei ze ook ‘vier auto’ en ‘vier ei’. Op het moment dat ze namelijk aan meervoudvorming toe was, zat ze met haar tante naar een afbeelding te kijken waar alles in viervoud op stond afgebeeld – tante: ‘Vier appels; vier ballonnen; vier auto’s; vier sterren’. Dan is het niet zo gek dat Uulkje aannam dat het meervoud wordt aangeduid door ‘vier’ ervóór, want in tantes woorden wisselen ‘-s’ en ‘-en’ elkaar af. Omdat haar vermoeden ‘vier …’ bijna nooit werd bevestigd, is ze na twee maanden wat anders gaan proberen en deze keer zat ze met ‘-en’, ‘-s’ en ‘-eren’ op een beter spoor, zoals ze zelf ook spoedig ontdekte.
Antwoord b is dus niet juist, maar niet getreurd: soms leer je meer van een fout antwoord dan van een goed. Maak daarom gebruik van de extra informatie die je in deze toelichting hebt gekregen, laat je gedachten nog eens over de antwoorden a, c en d gaan en kies één van die drie; terug naar doordenker 6.

Zie verder Ewald Vervaet, Groeienderwijs; psychologie van 0 tot 3, 12.1-6 (opeenvolgende structuren), 12.7 (neurologische structuren) en 12.8 (psychologische structuren).