antwoord c bij doordenker 6
‘Ik wil een koekje hebben’
Als Tijs rond z’n tweede verjaardag een koekje wilde hebben, zei ie vaak ‘Tijs hebbe’ of ‘Tijs koekje’ (naast ‘Datte hebbe’, ‘Koeke hebbe’ en dergelijke). Vanaf ongeveer zesentwintig maanden zegt ie ook ‘Ik(ke) koekje hebbe’, ‘Ikkil e koekje hebbe’ en dergelijke en uiteindelijk ‘Ik wil een koekje hebben’. Waar ie eerst over zichzelf sprak met ‘Tijs’ doet ie dat nu dus met ‘ik’. En zo spreekt ie ook over ‘een koekje’ in plaats van over ‘koekje’ alleen.
Dat Tijs rond dezelfde tijd zichzelf met ‘ik’ aanduidt en het lidwoord ‘een’ gebruikt, zou toeval kunnen zijn maar er zou ook een verband tussen beide kunnen bestaan. Wat is het geval, denk je? Licht je antwoord toe.
c. Dat ‘ik’ en ‘een’ bij Tijs gelijktijdig verschijnen, is toevallig. In een belangrijk opzicht zijn de betekenissen van ‘ik’ en ‘een’ namelijk tegengesteld aan elkaar: iedereen kan ‘ik’ zeggen, maar al wie ‘een koekje’ zegt, heeft het over één koekje en niet over alle koekjes.
Die geschetste tegenstelling tussen ‘ik’ en ‘een’ is onjuist. Iedereen die ‘ik’ kan zeggen, kan ook ‘een’ zeggen, en omgekeerd. En naar de betekenis hebben ‘ik’ en ‘een’ juist een belangrijke overeenkomst omdat beide een specificerende werking hebben. Als iemand ‘dorst’ zegt, is het helemaal niet duidelijk over wie hij het heeft. Bij ‘ik heb dorst’ of ‘jij hebt dorst’ is dat wel duidelijk: in het eerste geval heeft de spreker het over zichzelf en in het tweede over de toegesprokene.
Antwoord c is dus niet goed. Overweeg de antwoorden a, b en d nog eens goed – kennelijk heb je één daarvan in eerdere instantie ten onrechte over het hoofd gezien. Maak dan opnieuw een keuze. Terug naar doordenker 6.