antwoord d bij doordenker 6
‘Ik wil een koekje hebben’
Als Tijs rond z’n tweede verjaardag een koekje wilde hebben, zei ie vaak ‘Tijs hebbe’ of ‘Tijs koekje’ (naast ‘Datte hebbe’, ‘Koeke hebbe’ en dergelijke). Vanaf ongeveer zesentwintig maanden zegt ie ook ‘Ik(ke) koekje hebbe’, ‘Ikkil e koekje hebbe’ en dergelijke en uiteindelijk ‘Ik wil een koekje hebben’. Waar ie eerst over zichzelf sprak met ‘Tijs’ doet ie dat nu dus met ‘ik’. En zo spreekt ie ook over ‘een koekje’ in plaats van over ‘koekje’ alleen.
Dat Tijs rond dezelfde tijd zichzelf met ‘ik’ aanduidt en het lidwoord ‘een’ gebruikt, zou toeval kunnen zijn maar er zou ook een verband tussen beide kunnen bestaan. Wat is het geval, denk je? Licht je antwoord toe.
d. Tijs kan in de buitenwereld koekjes waarnemen en in zichzelf dat ie zin heeft in een koekje, maar met de woorden ‘ik’ en ‘een’ komt niets overeen, dat direct waarneembaar is.
Dat Tijs rond z’n vierentwintigste maand bijvoorbeeld ‘Tijs koekje’ zegt, hangt samen met het feit dat ie tussen twaalf en zesentwintig maanden op één of andere manier aan aandachtscontact is gebonden. In de oplossing bij doordenker 3 hebben we gezien dat we daar ongeveer ‘waarnemen zonder aanraken’ onder verstaan. Aandachtscontact speelt nog een rol bij Tijs’ woorden en zinnen tussen achttien en zesentwintig maanden. In ‘Tijs koekje’ (een gebonden zin vanaf ongeveer tweeëntwintig maanden; zie antwoord b bij doordenker 5) blijkt dat heel duidelijk. Doorgaans zegt ie dat alleen als er hier-en-nu een koekje te zien is en hijzelf is uiteraard in het hier-en-nu aanwezig.
Een enkele keer zegt Tijs rond vierentwintig maanden ‘Tijs koekje’ naar aanleiding van iets anders. Dat is onder meer het geval als ie drie uur geleden bij de buren een koekje heeft gegeten en nu de naam van de buurman, ‘Fons’, opvangt. Dan kan ‘Tijs koekje’ natuurlijk nog steeds ‘ik wil een koekje hebben’ betekenen maar ook ‘ik heb bij de buren een koekje gekregen’. We spreken dan van een associatie: de naam ‘Fons’ roept het krijgen van een koekje bij hem op.
Vanaf zesentwintig maanden kan Tijs aandachtscontact overstijgen. Hij kan dan bijvoorbeeld gaan vertellen over toen-en-daar in plaats van louter over hier-en-nu. Dan zou ie ook zonder het opvangen van de naam ‘Fons’ of enige andere aanleiding in de buitenwereld, vertellen over het koekje dat ie kort geleden bij de buren heeft gekregen. Om het in krom Nederlands te zeggen: wat er in het recente verleden was, maakt ie dan met woorden weer tegenwoordig. Het overstijgen van aandachtscontact heet dan ook representeren, van het Franse ‘re’ (weer) en ‘present’ (tegenwoordig).
Representeren stelt Tijs in staat z’n gedachtes ook veel preciezer weer te geven, door namelijk z’n zinnen te grammaticaliseren. In ‘ik wil een koekje hebben’ zijn ‘ik’ en ‘een’ twee grammaticalisaties die Tijs zich tussen zesentwintig en eenendertig maanden eigen maakt. Het persoonlijke voornaamwoord ‘ik’ verwijst namelijk niet naar een sensorimotorisch schema, zoals z’n zelfaanduiding ‘Tijs’ rond z’n tweede verjaardag wel deed, maar naar de rol ‘sprekende’. En het lidwoord ‘een’ drukt uit dat er uit de verzameling van alle koekjes één in het bijzonder naar voren wordt gehaald – over die verzameling zelf wordt echter niets gezegd.
Het modale hulpwerkwoord ‘willen’, dat ook in ‘ik wil een koekje hebben’ voorkomt, berust eveneens op representeren. Anders dan ‘eten’, ‘hebben’ en dergelijke verwijst het niet naar een sensorimotorisch schema. Het verwijst naar iets dat Tijs in z’n psychologische innerlijk waarneemt, namelijk zin in een koekje, en dat psychologische innerlijk onttrekt zich aan direct aandachtscontact zodat voor een woord als ‘willen’ representeren een vereiste is.
We keren even terug naar antwoord b bij doordenker 4. Bij de toelichting staat dat Konrad begripsmatig ‘naar’ en ‘vanaf’ kan onderscheiden vanaf ongeveer zesentwintig maanden. Inderdaad maakt ook Tijs zich de eerste voorzetsels eigen vanaf een maand of zesentwintig: ‘in de kist’, ‘op de tafel’, ‘van mama’, maar ook ‘naar de koe’ en ‘van de auto af’.
Kortom, het verband tussen het gebruik van het persoonlijke voornaamwoord ‘ik’ en het lidwoord ‘een’ is het representeren, het psychologische functioneren zonder aandachtscontact.
Antwoord d is dus juist. Doe je voordeel echter met de drie andere antwoorden: men leert soms meer van een fout antwoord dan van een goed. Terug naar doordenker 6.
Zie verder Ewald Vervaet, Groeienderwijs; psychologie van 0 tot 3, 9.1 (representeren en recente verleden), 9.2 (eerste grammaticalisaties), 9.7 (‘willen’, maar ook ‘moeten’, ‘mogen’ en ‘kunnen’) en 9.8 (eerste voorzetsels).