antwoord a bij doordenker 7
‘Mama zegt dat je niet mag komen’
Zo tussen zesentwintig en eenendertig maanden heeft Wanda zinnen geleerd van het type ‘ik wil een koekje hebben’, maar ook van het type ‘mama zegt iets’ en ‘je mag niet komen’. Dat zijn enkelvoudige zinnen. Het lijkt een klein stapje maar toch duurt het nog een maand of vijf alvorens Wanda zinnen gaat maken van het type ‘mama zegt dat je niet mag komen’, de zogeheten samengestelde zinnen. Het merkwaardige nu is dat Wanda tegelijk met dat ze samengestelde zinnen begint te maken, ook leert te sorteren, bijvoorbeeld naar olifant-vogel als er zes olifanten en zes vogels vóór haar liggen. Omgekeerd, vóór haar eenendertigste maand maakte ze geen samengestelde zinnen en kon ze niet sorteren.
Er is kennelijk een verband tussen samengestelde zinnen en sorteren. In welke richting zou je het verband tussen die twee kunnen zoeken? Licht je antwoord toe.
a. Precies zoals Wanda in het sorteren bij elkaar moet doen wat bij elkaar hoort (olifanten bij olifanten en vogels bij vogels), zo moet ze bij elkaar horende woorden in een samengestelde zin bij elkaar houden: ‘mama’ en ‘zegt’ horen onderling bij elkaar, net als ‘je’, ‘mag’, ‘niet’ en ‘komen’.
We beginnen met het sorteren. Zowel met achtentwintig als met drieëndertig maanden leg je vóór Wanda twee witte enveloppen en tussen haar en die enveloppen twaalf afbeeldingen, zes van een olifant en zes van een vogel. Je legt één olifant op de ene envelop en één vogel op de andere, en zegt, op elk van beide enveloppen wijzend: ‘Hier moet je alle olifanten leggen en daar alle vogels’. De eerste keer, dus met achtentwintig maanden, legt ze zomaar wat op de enveloppen. Uiteindelijk komen er op de ene envelop drie olifanten en twee vogels terecht en op de andere drie olifanten en vier vogels. Jij: ‘Liggen hier nu alle olifanten?’ – Wanda knikt van ja en zegt ‘Ja’ – jij: ‘En liggen hier nu alle vogels?’ – Wanda knikt weer van ja en zegt weer ‘Ja’. De tweede keer, dus met drieëndertig maanden, legt ze de vijf andere olifanten op de envelop waar jij die ene olifant al op had gelegd, en de vijf andere vogels op de andere envelop. Bovendien laat ze haar blik geregeld tussen de twee enveloppen heen en weer gaan. Bijvoorbeeld, vlak onder de envelop waar op zeker ogenblik al twee olifanten op liggen, ligt onder meer een vogel; ze neemt die vogel en brengt hem in eerste instantie naar die envelop; zodra ze ziet dat daar olifanten op liggen, laat ze haar ogen naar de andere envelop gaan (waar op dat moment al drie vogels op liggen); dan laat ze haar blik teruggaan naar die vogel in haar hand en dan pas brengt ze die vogel naar die andere envelop. Zo’n heen en weer gaan met de blik deed ze met achtentwintig maanden in het geheel niet. Kortom, met achtentwintig maanden legt ze olifanten en vogels door elkaar op elk van beide enveloppen zonder de afbeeldingen verder op elkaar te betrekken, maar met drieëndertig maanden betrekt ze de afbeeldingen die al op de enveloppen liggen, en de afbeelding in haar hand wel op elkaar.
Nu zijn sorteren en het maken van een samengestelde zin iets heel anders, maar toch gebeurt bij allebei hetzelfde. Dat wil zeggen, precies zoals Wanda soort bij soort brengt in het sorteren door de afbeeldingen op elkaar te betrekken, zo betrekt ze de woorden van elk van de zinnen ‘mama zegt iets’ en ‘je mag niet komen’ ook op elkaar als ze ze samenstelt tot de zin ‘mama zegt dat je niet mag komen’. Uit ‘mama zegt iets’ laat ze namelijk ‘iets’ weg; ze voegt ‘dat’ er als verbindende schakel aan toe; ze keert ‘mag niet’ om tot ‘niet mag’. Met andere woorden, precies zoals het zien van de olifanten tijdens het sorteren in Wanda’s manier van denken doorwerkt op het behandelen van een vogel en omgekeerd, zo werken de zinnen ‘mama zegt iets’ en ‘je mag niet komen’ ook op elkaar in. Immers, alleen onder invloed van ‘je mag niet komen’ laat Wanda ‘iets’ uit ‘mama zegt iets’ weg; alleen onder invloed van ‘mama zegt iets’ verwisselt ze ‘mag’ en ‘niet’ met elkaar; en alleen onder invloed van elkaar voegt ze ‘dat’ tussen beide.
Sorteren komt nog op een andere manier tot uiting in de taalontwikkeling vanaf eenendertig maanden. Tussen zesentwintig en eenendertig maanden zei Wanda namelijk niet alleen ‘de koe’ en ‘de geit’, maar ook ‘de paard’ en ‘de schaap’. Pas vanaf eenendertig maanden herstelt ze zich: ‘Ik zie de paard, eh, het paard’ en zegt ze in toenemende mate meteen ‘Het schaap loopt naar z’n mama’ in plaats van ‘De schaap loopt naar z’n mama’. Anders gezegd, voordien sorteerde ze de zelfstandige naamwoorden niet naar ‘de’- en ‘het’-woorden en daarna wel.
Hetzelfde geldt voor ‘hij’ en ‘zij’. Tussen zesentwintig en eenendertig maanden zei Wanda niet alleen ‘hij’ over haar vader en haar broer, maar ook over haar moeder en haar oma, terwijl ze vanaf eenendertig maanden moeder en oma met ‘zij’ is gaan aanduiden. Ook dit kunnen we weer anders zeggen: voordien sorteerde ze mensen niet naar ‘hij’- en ‘zij’-personen en daarna wel.
Antwoord a is dus goed. Je kunt je begrip van de taalontwikkeling in de tweede helft van het derde levensjaar verdiepen door de andere drie antwoorden door te lezen - terug naar doordenker 7.
Zie verder Ewald Vervaet, Groeienderwijs; psychologie van 0 tot 3, 10.1 (sorteren),10.4 (samengestelde zinnen) en 10.5 (‘het’ en ‘zij’).