antwoord c bij doordenker 7

‘Mama zegt dat je niet mag komen’

Zo tussen zesentwintig en eenendertig maanden heeft Wanda zinnen geleerd van het type ‘ik wil een koekje hebben’, maar ook van het type ‘mama zegt iets’ en ‘je mag niet komen’. Dat zijn enkelvoudige zinnen. Het lijkt een klein stapje maar toch duurt het nog een maand of vijf alvorens Wanda zinnen gaat maken van het type ‘mama zegt dat je niet mag komen’, de zogeheten samengestelde zinnen. Het merkwaardige nu is dat Wanda tegelijk met dat ze samengestelde zinnen begint te maken, ook leert te sorteren, bijvoorbeeld naar olifant-vogel als er zes olifanten en zes vogels vóór haar liggen. Omgekeerd, vóór haar eenendertigste maand maakte ze geen samengestelde zinnen en kon ze niet sorteren.

Er is kennelijk een verband tussen samengestelde zinnen en sorteren. In welke richting zou je het verband tussen die twee kunnen zoeken? Licht je antwoord toe.


c. Precies zoals Wanda nu pas de begrippen ‘olifant’ en ‘vogel’ van elkaar kan onderscheiden, zo kan ze nu pas een onderscheid maken tussen afzonderlijke zinnen als ‘mama zegt iets’ en ‘je mag niet komen’.

Wanda onderscheidt de begrippen ‘olifant’ en ‘vogel’ al vanaf ongeveer achttien maanden: ze heeft nooit ‘vogel’ tegen een olifant gezegd of ‘olifant’ tegen een vogel. En het onderscheid tussen grammaticaal correcte zinnen maakt ze al vanaf ongeveer zesentwintig maanden: ze heeft nooit ‘mama zegt iets’ gezegd terwijl ze ‘je mag niet komen’ bedoelde of omgekeerd.
Antwoord c is dus onjuist. Doe je voordeel met deze toelichting, lees de antwoorden a, b en d nog eens goed door en kies een nieuw antwoord; terug naar doordenker 7.

Zie verder Ewald Vervaet, Groeienderwijs; psychologie van 0 tot 3, 7.1 (eerste woorden) en 9.2 (eerste grammaticaal correcte zinnen).