Levende Talen Magazine, januari 2004, p.46
Interessante vondsten
Christien van GoolGroeienderwijs gaat over de psychologische ontwikkeling van geboorte tot een jaar of drie. In het boek wordt aandacht besteed aan de ontwikkelingsfasen die kinderen doormaken; interessant is de aandacht voor de taalontwikkeling. De nieuwe dingen die Vervaet heeft gevonden, zijn onder meer de reden achter het feit dat kinderen pas vanaf ongeveer 26 maanden hun, inmiddels gebonden, zinnen gaan grammaticaliseren, met lidwoorden, met persoonlijke voornaamwoorden, met voorzetsels, met de verleden tijd, enzovoort
Nieuw is ook dat het Nederlandstalige kind als lidwoord van bepaaldheid aanvankelijk slechts 'de' bezigt (dus ook 'de paard', 'de water' en zo meer) en voor de derde persoon enkelvoud slechts 'hij' (en 'hem' en 'zijn') en nog geen 'zij' (en 'haar'); slechts een kleine minderheid bezigt slechts de vrouwelijke vormen. Pas vanaf ongeveer 31 maanden onderscheidt het kind 'de'- en 'het'-woorden en bezigt het 'hij' voor jongens en mannen en 'zij' voor meisjes en vrouwen. Niet toevallig maakt het kind dan ook z'n eerste samengestelde zinnen, echter nog niet van het type 'De man die z'n auto wast, gaat nooit met vakantie', maar wel van het type 'Ik weet dat jij bij ons komt logeren' en 'Mama vraagt of je aan tafel komt'.
De fasen worden met trefwoorden kort en krachtig omschreven. Vervaet gaat op elke fase uitgebreid in waarna hij de psychologische aspecten bespreekt. Aardig is dat hij dit doet aan de hand van Wim en Anke, twee (fictieve) kinderen die in hun eigen huiselijke omgeving opgroeien en de 10 fasen doorlopen.
Het boek leest prettig, het taalgebruik is eenvoudig, de stijl is fris, maar ook gedegen en zeer duidelijk. Dit boek is voor een grotere groep belangstellenden - ouders, docenten, studenten - zeer geschikt.
Ewald Vervaet volgde nauwgezet de ontwikkeling van 28 kinderen en komt met opmerkelijke bevindingen. De beschrijving van de proefjes die Vervaet de kinderen laat doen om te ontdekken in welke ontwikkelingsfase het kind zich bevindt, geeft ouders en professionele opvoeders de mogelijkheid ze zelf te doen.
Wat talenleren betreft, staat er een interessante opmerking op pagina 176 - daar staat dat men met tweetalig opvoeden zou moeten wachten tot 3 of zelfs 4,5 jaar. De verklaring die Vervaet hiervoor geeft is dat het kinderen in de war brengt, met name in de periode tussen ruim 2 jaar en 4,5 jaar. In die periode gaat het kind zijn moedertaal grammaticaliseren – het is erg moeilijk om dat voor twee talen tegelijk te doen. Bovendien maakt het niet uit ‘nog tot een jaar of twaalf kan een kind moeiteloos twee- of meertalig worden’.
Verder roert Vervaet op pagina 226 de discussie aan over meerkeuzetoetsen. Hij koppelt dat aan de methodiek van IQ-testen waar hij bezwaar tegen heeft. Desgevraagd geeft Vervaet hier de volgende toelichting over: ‘er zitten twee aspecten aan bezwaren tegen meerkeuzevragen – methodologisch en didactisch: voor het meten van ‘weetjes’ zijn meerkeuzevragen overbodig – dan kun je net zo goed meteen vragen om het antwoord; bij inzichtvragen worden de antwoorden voorgestructureerd en gaan leerlingen alleen leren op herkenning en niet op productie – dit resulteert erin dat leerlingen slechter gaan leren’.
Klikt u hier als u naar de doordenkers over de taalverwerving wilt.Klikt u hier om naar het hoofdmenu te gaan