de Volkskrant , 12 november 2005
Profiel Ewald Vervaet, onafhankelijk dwarsligger, verwijt medepsychologen een gebrek aan theorievorming
Ze testen maar een beetje raak
Martijn van CalmthoutHij is momenteel op televisie met proefjes die laten zien hoe peuter zich ontwikkelen. Maar lekker ligt de kritische psycholoog Ewald Vervaet niet. Althans bij zijn vakgenoten.
Jules Pieters, vice-voorzitter van het Nederlands Instituut voor Psychologen (NIP), stuurde hem een leerboek psychologie voor eerstejaars toe. Na een discussie bij Studium Generale van de plaatselijke universiteit in Enschede gebeurde dat, in april dit jaar. Een debat over de vraag of de sociale wetenschappen, in het bijzonder de psychologie, zich terecht trachten te spiegelen aan de natuurwetenschappen.
Het was geen prettige discussie. Het ging er hard aan toe. Er werd op de man gespeeld. En toen kwam dat boek, een paar weken later. Opdat hij, aldus het begeleidende briefje, de basisprincipes van de hedendaagse psychologie eens kon nalezen. Een belediging, hij kan het niet anders zien.
Ewald Vervaet, al een kwarteeuw onbezoldigd psycholoog en afgestudeerd natuurkundige, schenkt thee en kan er weer kwaad over worden. Hij ontvangt in zijn met boeken en papier volgestouwde woon-werkkamer in een woongroep in Amsterdam-West. Een strammige vijftiger met de tongval van het Westdorpe, Zeeuws-Vlaanderen, zijn geboorteplaats. Hij praat onafgebroken. Zelfverzekerd.
Vervaet is boos, ja. Of beter: een strijder. Er is, zegt hij, een paradigma in het geding. Mogen we tevreden zijn met een psychologie die eindeloos meetresultaten verzamelt en ordent, op z’n positivistisch? Nee, vindt hij. En wordt daarom een lastpak gevonden in academisch Nederland.
Vervaet: ‘De academische psychologie is in mijn ogen geen serieuze wetenschap, zeker in Nederland niet. Men neemt zich wel voor volgens de regels van exacte wetenschappen als de natuurkunde te werken, maar dat is onzin. Ze weten niet wat ze zeggen’.
Het is, zegt Vervaet, het probleem dat we kennen van de IQ-test. ‘Wat is een IQ van 120? Een IQ van 120 is de uitkomst 120 in een IQ-test. Wat betekent een Cito-score van 150? Het is een cirkelredenering, waarvan niemand weet wat het werkelijk betekent. Terwijl er mensenlevens vanaf hangen, het persoonlijke geluk van kinderen. Wat ontbreekt is een theorie van, in dit geval, de intelligentie. Een theorie die je kunt toetsen, of verwerpen’.
Hij pakt een grote plastic zandloper van zijn piano. In de onderste helft zitten oranje korrels. Vervaet draait hem om. De zandloper begint te lopen. Maar in de onderste helft verschijnen blauwe korrels, terwijl bovenin de oranje korrels wegvloeien. Vervaet kijkt geamuseerd toe. Legt dan uit. Het feit dat je ‘t verrassend vindt, zegt hij, wijst erop dat je een theorie hebt over hoe een zandloper werkt.
‘Die theorie is nu, door een verrassend feit, aan revisie toe. Zo leer je iets. Alleen registreren dat oranje korrels blauw worden, zou niks opleveren’, zegt hij.Nepresultaten
Waar, echter, staan de psychologische topbladen, de blaadjes en de kranten mee vol? Met quasiwetenschappelijke nepresultaten. Uitkomsten van proefjes of enquêtes ja, niet meer dan dat. Maar hij ziet het alweer in de krant staan. Kinderopvang holt achteruit. Volgens wie? Volgens scores in domweg vertaalde Amerikaanse tests als Iters-R, de Ecers-R en de CIS. Amerikanen bevooroordeelder dan Canadezen. Volgens de Big Five-test. Wat moet hij ermee?
Het is kennis die niks zegt, omdat er geen theorie over de psychologische werkelijkheid achter steekt. En erger: de kranten schrijven erover, de politici spreken schande over de achteruitgang. Zonder dat iemand zich afvraagt of het wel echte gegevens zijn over de echte wereld, daarbuiten.
Maar wat hij ook zegt, er komt nauwelijks iets terug uit kringen van de academische psychologie. Al jaren: stilte. ‘Ze hadden me allang alle hoeken van de kamer kunnen laten zien. Ze hadden mijn proefschrift uit elkaar moeten trekken. Maar het is stil gebleven’.
Alleen daarom al is het feit dat hij de laatste weken optreedt in het Teleac-programma Bij ons thuis een klein feestje. ‘Ik ben daar heel blij mee, ik ben gewend te worden doodgezwegen’. In dat programma, dat gaat over het opvoeden en de ontwikkeling van jonge kinderen, vertoonde Vervaet de aflopen weken een reeks experimentjes met een paar peuters. Simpele proefjes. Maar ze laten haarscherp zien dat er verschillende fasen in de geestelijke ontwikkeling van een kind te onderscheiden zijn. Op het ene moment brengen ze nog niks terecht van een proefje. En een paar maanden later opeens wel.
Over dat patroon schreef Vervaet, zelf kinderloos, drie jaar geleden het boek Groeienderwijs (Ambo, 2002). Een boek over zijn theorie over de mentale ontwikkeling van jonge kinderen tot drie jaar. Hij deed jarenlang observaties aan een groep van 28 kinderen tot drie jaar oud in Amsterdam. Om te toetsen wat hij denkt dat er in het vroege kinderbrein gebeurt: de stapsgewijze opbouw van telkens nieuwe neurologische en psychologische circuits. Cruciaal daarin is dat er van fase naar fase steeds nieuwe circuits ontstaan, die telkens meer neuronale verbindingen omvatten.
Dat is althans de theorie. Om die te toetsen ontwikkelde Vervaet een batterij simpele proefjes, merendeels met standaard kinderspeelgoed uitgevoerd. De knikkerbaan bijvoorbeeld, waarin kinderen de rollende knikker moeten zien te pakken. Eindeloos gaan ze met hun vinger achter de knikker aan en vangen ze niks. Tot er een moment komt dat ze inzien dat ze hun vinger ergens verderop op de baan moeten leggen.
Die momenten zijn betrekkelijk eenduidig. In fase 8, tussen 22 en 26 maanden, achtervolgt het kind de knikker tevergeefs met een hand. In fase 9, tussen 26 en 31 maanden, legt het een vinger neer, maar nog te laat. In fase 10, tenslotte, tussen 31 en 36 maanden, komt het onderscheppen.Volksuniversiteit
Het boek is populair bij ouders, nog steeds. Vervaet geeft er vrijwel wekelijks cursussen over, op volksuniversiteiten en hbo-instellingen. En nu is hij er dus ook mee op de Teleac-tv. Het is, zegt hij, nuttig om als ouder te begrijpen wat er met je kind gebeurt. ‘Veel ouders denken dat kinderen alles al kunnen, maar er gewoon nog geen zin of interesse in hebben. En dat ze bepaalde vaardigheden aangereikt krijgen, van henzelf of van zusjes of broertjes. Ik denk dat het de interactie is van het kinderbrein met zijn omgeving’.
Maar een succes of niet, hij is, zegt hij, noodgedwongen een soort particuliere eenmansvakgroep gebleven. Een outcast, ondergebracht in een stichting, Histos te Amsterdam. Hij studeerde ooit, na een gymnasiumopleiding bij de paters in Kaatsheuvel en Vught, wis- en natuurkunde in Amsterdam. Deed onderzoek bij het voormalige Instituut voor Perceptie Onderzoek (IPO) in Eindhoven en kwam daar in aanraking met de grillen van het menselijke waarnemen en de psyche. Ging psychologie erbij doen. Hij werkte op Santpoort, met psychotische patiënten. En promoveerde in 1986, op een voorloper van Groeienderwijs en in de traditie van de grote ontwikkelingspsycholoog Jean Piaget.
Al tijdens zijn studie boterde het niet echt met de officiële psychologie en nadien heeft hij nooit een echte baan bij een universitaire vakgroep gevonden. Tot zijn frustratie, dat wil hij best erkennen. ‘In mijn leerboeken stonden al dingen over de exacte methodologie die ik helemaal niet herkende van mijn natuurkunde-opleiding. Er werd beweerd dat fysici in oorzaak-gevolg-verbanden zouden denken. Nee, ze denken juist in structuren. Neem een vallende steen. Je kunt zeggen, hij valt omdat ik hem loslaat. Maar dat is kul. Het gaat erom dat je begrijpt dat er zoiets bestaat als de zwaartekracht. Daarom vallen de dingen echt’.
In de psychologie, is zijn stelling, wordt er hoofdzakelijk gemeten om het meten. Los van elke inhoudelijke theorie. En dat is ook wat hij in april in Enschede NIP-vicevoorzitter prof.dr. Jules Pieters nog maar weer eens voorhield.
Pieters, psychologiehoogleraar in Twente, was verbluft over wat Vervaet over zijn vak zei. ‘Ik kreeg’, zegt hij terugblikkend, ‘de indruk dat Vervaet niet goed op de hoogte was van de werkwijze in de moderne psychologie. Hij begon over dingen waarover wij in onze studententijd ook al discussieerden. Vandaar dat leerboek ook.
‘Als hij daar boos over is, is dat erg jammer. Er zijn namelijk allerlei ontwikkelingen op het gebied van de cognitieve psychologie en neurologie gaande die precies doen waar Vervaet op hamert. Kijken. Patronen en mechanismen onderkennen’.
Waar, zegt Pieters ook meteen, tegenover staat dat hij wel zeker iets zag in Vervaets werk met kinderen tot drie jaar. ‘Het lijkt me heel nuttig dat bijvoorbeeld onze studenten van zijn werk kennisnemen, ook gezien de toegankelijke vorm. Het enige bezwaar dat je kan hebben is dat zijn resultaten met die groep kinderen me in de praktijk niet zo makkelijk repliceerbaar lijken. Als je het over wetenschappelijke zuiverheid wil hebben, is dat misschien wel een punt’.Piaget
Dat is ook wat de Groningse psycholoog Gerrit Breeuwsma schreef in een recensie van Vervaets boek en een van de dingen die hem op langdurige onmin kwam te staan. Breeuwsma heeft eigenlijk geen zin om die tijdrovende en energievretende confrontatie weer op te porren. ‘Vervaet doet boeiende dingen, goeddeels in de school van Piaget. Maar hij is tegelijk overdreven verongelijkt omdat niemand zijn grootheid wil inzien. Dat leidt voortdurend tot onaangename situaties. Met een variant op wat er over Fortuyn werd gezegd: waar Ewald is, komt ruzie’.
Vervaet, op zijn beurt, begrijpt best waarom beide psychologen zeggen wat ze zeggen. ‘Ze proberen er iets persoonlijks van te maken. Terwijl het in werkelijkheid gaat om een paradigmatische twist. Bedrijven ze geen schijnwetenschap? Daar willen ze niet aan, omdat ze weten dat ze dan verliezen’.
Bovendien, waar het natuurlijk echt om draait, zegt hij, is dat er een hele psychologenindustrie leeft van de assessments en andere tests. ‘Als ze mijn kritiek serieus nemen, moeten ze in het openbaar toegeven dat al die activiteiten alleen maar loze meetgegevens opleveren. Het is als Ezau die zijn eerstgeborenrecht voor een bord linzensoep verkocht. Het kader van de Nederlandse academische psychologie heeft zijn recht op waarheidsvinding verkwanseld voor de belangen van het Cito en de testbureaus’.===o===
Naschrift van 23 december 2005
In afwachting van het vervolg
Ewald VervaetMet Van Calmthouts artikel heeft de Volkskrant goud in handen voor een vervolg dat zowel wetenschappelijk als maatschappelijk van het grootste belang is. Immers, als ik het wetenschappelijke gelijk aan m'n kant heb (en daar ziet het naar uit, zowel om de feiten en argumenten die ik daarvoor heb als omdat het kader van de Nederlandse academische psychologie de discussie met oneigenlijke middelen blijft ontwijken), dan kan het niet anders of dat moet maatschappelijke gevolgen hebben. Met name wijs ik op de vele tientallen miljoenen euro die er jaarlijks gaan naar de goeddeels positivistisch opgezette studierichtingen psychologie aan de Nederlandse universiteiten en naar meerkeuzetoetsen in het hele onderwijstraject, van kleuters via de Eindtoets Basisonderwijs ('Citotoets') en eindexamens van de middelbare school tot tentamens aan universiteiten en HBO-instellingen.
Twee disputen
Volgens Van Calmthout komt er nog een vervolg. Ik ben ervan overtuigd dat de Volkskrant dat zal brengen. Ondertussen bied ik geïnteresseerden achtergrondinformatie die wegens haar omvang en - maar dat is een kwestie van smaak - wellicht ook haar inhoud ongeschikt is voor een krant, maar wel een veelzeggende blik biedt in het feit dat de positivistische psychologie zich in een toestand van ontaarding, ontluistering en ontbinding bevindt.
Ik heb Van Calmthout de namen van Breeuwsma en Pieters om specifieke redenen genoemd, die om mij onduidelijke redenen echter geen van beide in het artikel aan bod zijn geweest. Omdat ze niet in Van Calmthouts eerste concept stonden, liet ik hem weten:
'Met Breeuwsma heb ik maar één dispuut: of ik voor de periode tussen 1,5 en 3 jaar al dan niet nieuwe vondsten heb gedaan. Ik wil je vragen hem daarnaar te vragen, want daar blijkt nu niets van in je artikel terwijl het wel cruciaal is (en voor eenieder natrekbaar)' en
'Met Pieters heb ik ook maar één dispuut: op die bijeenkomst [namelijk van 5 april in Twente] ontkende hij dat de positivistische psychologie gebaseerd zou zijn op een bepaald beeld van de natuurwetenschappen. Ik wil je vragen hem te vragen alsnog te reageren op de - ik meen - 18 tegenvoorbeelden van zijn stelling die ik al op 6 april heb gegeven'.
Ook in het definitieve concept staat er niets over. Met dat concept ben ik om twee redenen toch van harte akkoord gegaan. In de eerste plaats schetst het een goed beeld zowel van m'n werk als van m'n positie in de Nederlandse academische psychologie. In de tweede plaats stelde Van Calmthout in het vooruitzicht dat een en ander in een vervolg aan bod zou komen.
Pas op 21 december is me gebleken dat Van Calmthout Pieters en Breeuwsma de relevante vragen heeft gesteld waar ik om had verzocht, maar dat beiden daar niet op in wensten te gaan. Hè!? Aan een gerespecteerd wetenschapsjournalist uitdrukkelijk weigeren op de kern van de discussie in te gaan!?
In kort bestek geef ik m'n ervaringen met Breeuwsma en Pieters weer.
Breeuwsma
Breeuwsma stelt in zijn bespreking van mijn boek Groeienderwijs, ’Niet in “woef” blijven steken…’ (De psycholoog, januari 2004, vol.39, p.23-25) onder meer: ‘Vervaet waant zich pionier op een reeds lang ontgonnen en in cultuur gebracht gebied. Hij kent de ontwikkelingspsychologische literatuur niet of wil die niet kennen, en verwijst nauwelijks’. Kort daarop heb ik hem om voorbeelden gevraagd van verschijnselen, verklaringen en dergelijke, die volgens mijzelf (en anderen; zie reacties op Groeienderwijs) nieuw zijn in Groeienderwijs maar volgens Breeuwsma kennelijk al elders zijn beschreven. Hij gaf aan niet te zullen reageren. Dat is vreemd want in de wetenschap is het gebruikelijk dat wie een bewering doen, daar ook de feiten bij levert.
Ik heb Breeuwsma op 19 maart 2004 in een brief nogmaals verzocht literatuurverwijzingen te geven, en wel voor slechts vier van de vele verschijnselen die ik als eerste beschreven meen te hebben (in Groeienderwijs en in voorafgaande wetenschappelijke artikelen), namelijk voor ‘stemvinding’ (tussen 4 en 8 maanden), voor het exemplariseren, met name van tweelingen, door kinderen rond hun tweede verjaardag, voor experimenteel onderzoek naar de ontwikkeling van het tijdbesef tussen 22 en 36 maanden (‘eeuwig heden’, recent verleden, nabije toekomst) en voor onderzoek naar het woord en begrip ‘zelfde’.
Volgens verwachting reageerde Breeuwsma weer niet. Omdat ik het op 16 april 2004 welletjes vond, heb ik zelf maar deze conclusie getrokken:
‘U heeft tot op heden geen van uw uitspraken hard gemaakt, waar ik in m’n e-brief van 19 maart evidentie bij heb gevraagd - dat is geen tewerkstelling zoals u suggereerde aan de telefoon, maar een gewone wetenschappelijke procedure: feiten vragen bij beweringen. Uit ons telefoongesprek maak ik op dat u niet van plan bent uw uitspraken hard te maken. Daarom concludeer ik tot nader order:
a. U kent niemand die het verschijnsel ‘stemvinding’ eerder heeft beschreven dan ik, en kunt mijn pretentie dat ik daar de ontdekker van ben, niet weerleggen.
b. U kent niemand die het verschijnsel ‘exemplariseren’ eerder heeft beschreven dan ik, en kunt mijn pretentie dat ik (met de moeder van een tweeling) daar de ontdekker van ben, niet weerleggen.
c. U kent niemand die eerder dan ik experimenteel onderzoek naar de ontwikkeling van het tijdbesef tussen [22 en 36 maanden] als in de knikkerproef heeft gedaan, en kunt mijn pretentie dat ik daar de eerste mee ben, niet weerleggen.
d. U kent niemand die eerder dan ik experimenteel onderzoek heeft gedaan naar de genese van ‘zelfde’, en kunt mijn pretentie dat ik daar de eerste mee ben, niet weerleggen'.
Ik voegde daar een vijfde punt aan toe:
'e. U kunt geen empiristisch-positivistische verklarende ontwikkelingstheorieën over de periode tussen [0 en 36 maanden], waarvan u beweert of suggereert dat ze zouden bestaan, noemen'.Ik begrijp heel goed waarom Breeuwsma ‘eigenlijk geen zin [heeft] om die tijdrovende en energievretende confrontatie weer op te porren’. Hij heeft daar namelijk net zo weinig zin in als een kalkoen er zin in heeft om met de kerstdagen op een eetbord te gaan liggen. Hij zou zich heel wat tijd en energie besparen als hij kortweg zou erkennen dat ik wel wat nieuws heb gevonden. Daar zou hij ook zijn wetenschappelijke status mee oppoetsen.
Pieters
Pieters zegt mij een leerboek eerstejaars psychologie te hebben toegezonden vanwege zijn ‘indruk dat Vervaet niet goed op de hoogte was van de werkwijze in de moderne psychologie’. Aan die 'indruk' is echter wat voorafgegaan en wat op gevolgd.
In de discussie in Twente op 5 april 2005, georganiseerd door Studium Generale (klik hier voor de schriftelijke inleidingen van de deelnemers), ontkende Pieters uitdrukkelijk dat de positivistische psychologie zou werken naar voorbeeld van de natuurwetenschappen. Omdat ik zo’n reactie tevoren niet had uitgesloten, had ik 18 voorbeelden bij me, die het tegendeel aantonen. Voor de Nederlandse universitaire psychologie is dit een heel belangrijk voorbeeld: ‘[In de fysica] begint men met observatie en probeert men vanuit deze geobserveerde feiten te komen tot een meer algemeen geldende theorie’ (Drenth, Inleiding in de testtheorie, Deventer, Van Loghum Slaterus, 1975, p.276).
Omdat er op die bijeenkomst geen gelegenheid meer toe was deze voorbeelden in te brengen, heb ik ze Pieters meteen op 6 april toegezonden. In plaats van er inhoudelijk op in te gaan, schreef hij op 7 april: ‘[Er] schort naar mijn mening nogal wat aan je kennis van de hedendaagse psychologie. Als je me je adres stuurt zorg ik ervoor dat je een exemplaar ontvangt van het boek dat wij in het eerste jaar gebruiken voor het onderdeel Inleiding Psychologie’. Leergierig als ik ben, vond ik het prima dat boek te ontvangen. Het bleek Psychology van Gleitman en anderen te zijn.
Vlak vóór ik Pieters mijn reactie op Psychology toezond, hadden we telefonisch contact met elkaar. Daarin kondigde Pieters - dus nog vóór hij m'n reactie zelfs maar had gezien - aan dat hij er niet op in zou gaan omdat hij voor m'n geestelijke welzijn vreesde indien hij zelfs maar 10% zou weerleggen van wat ik ging beweren...
Ik vatte in een begeleidend schrijven m'n reactie op Psychology als volgt samen: ‘Dit boek bevat […] geen onderwerpen en passages waarmee ik onbekend zou zijn. Zelf heb je van lacunes bij mij trouwens ook geen concrete voorbeelden gegeven en die zul je ook niet kunnen geven omdat ze simpelweg niet bestaan. Sterker nog: op het weinige dat ik uit dat boek heb gelezen, heb ik nogal wat kritiek; zie de bijlage. Die kritiek is tweeledig: a. Piagets theorie wordt er onvolledig of onjuist in weergegeven en haar empirische status wordt er vanuit empiristisch-positivistische optiek verkeerd in beoordeeld; b. Het empirisme-positivisme is nadrukkelijk aanwezig in dit boek, en wel in theoretisch opzicht op een zeer warrige wijze (‘inductie’ en ‘abductie’ lopen zeer door elkaar, zonder dat de schrijvers zich dat realiseren), terwijl empiristisch-positivistische onderwerpen als tests, onderzoeksopzet en statistiek er inhoudelijk op een onkritische wijze in worden behandeld’. Met andere woorden, Pieters' 'hedendaagse psychologie' blijkt een eufemisme voor 'positivistische psychologie' te zijn en integraal onder m'n kritiek te vallen.
Als telefonisch aangekondigd bleef een inhoudelijke reactie van Pieters uit. Drie uit het goede hout gesneden psychologen die deze gang van zaken ter ore was gekomen, hebben hem onafhankelijk van elkaar verzocht te reageren op mijn reactie. Ook daarop heeft Pieters niet gereageerd. Vreesde hij wellicht ook voor hun geestelijke welzijn? Het lijkt me van niet: hij weet drommels goed dat hij een antwoord schuldig is op mijn positivismekritiek en dat hij zou dienen te erkennen dat de grondslag van de positivistische psychologie inderdaad ondeugdelijk is en dat er dus alle reden is om te twijfelen aan de wetenschappelijke status van IQ-, persoonlijkheids- en andere psychologische tests en van meerkeuzetoetsen.Slot
Zowel over de ervaring met Breeuwsma als over die met Pieters zou meer te vertellen zijn. Klik hier als u me wilt laten weten m'n beide weerwoorden integraal te willen ontvangen.
Het lijkt me dat de lezers van de Volkskrant graag iets over beide disputen hadden gelezen - niet zo uitvoerig als hierboven en al helemaal niet zo gedetailleerd als in m'n weerwoorden. Onder die lezers zitten immers velen die zeer geïnteresseerd zijn in wetenschap en allemaal betalen ze belasting en hebben ze baat bij een goed onderwijssysteem waarin inzichtelijke kennis adekwaat wordt getoetst in plaats van in schijn met meerkeuzetoetsen die immers louter op herkenning van het juiste antwoord mikken en daarmee het rendement van het onderwijs deels afromen. Naar de inhoud van m'n kritiek en naar het ontwijkgedrag van Breeuwsma, Pieters en anderen uit het kader van de Nederlandse psychologie blijkt duidelijk dat ik wetenschappelijk gelijk heb. Er kan geen andere maatschappelijke consekwentie zijn dan dat meerkeuzetoetsen uit het onderwijs en allerlei positivistica uit de psychologieopleidingen dienen te verdwijnen en dat er geen belastinggeld meer gaat naar positivistisch onderzoek.
Gewoonlijk brengt de Volkskrant graag maatschappelijk relevant nieuws. Ik vertrouw erop dat dat ook met m'n positivismekritiek en de maatschappelijke gevolgen het geval gaat zijn. In het licht van bovenstaande aanvullende informatie geeft Van Calmthout de tussenstand goed en moedig weer. In termen van de sportjournalistiek is zijn artikel van 12 november echter een weergave van de eerste, in 1-1 eindigende 90 minuten van een voetbalwedstrijd die met verlenging en strafschoppen is geëindigd in 4-2 voor mij.
Maar zijn bovenstaande ervaringen van me met Breeuwsma en Pieters dan niet al te dunne soep? Zeker, maar strafschoppen is ook geen echt voetbal. En zo gaat het wel vaker met ontaarde systemen die in een toestand van ontbinding en ontluistering verkeren: bij afwezigheid van steekhoudende argumenten bedienen aanhangers en verdedigers zich van steeds meer smoezen die ook alsmaar doorzichtiger worden.
Niet alleen om dit aftakelingsproces verder te beschijven maar ook vanwege de des te groter wordende maatschappelijke relevantie van m'n positivismekritiek komt dat vervolg er. De discussie is immers geen belangeloze tussen twee interpretatiesystemen van Maya-inscripties. Positivistica als tests en meerkeuzetoetsen zijn in het geding, bij sollicitaties, bij beroepskeuzes en in het onderwijs, en wel op basis van belastinggeld.===o===
Klikt u hier als u terug naar de Varia-pagina wiltKlikt u hier om naar het hoofdmenu te gaan